cross

Herhaling H 1 - 3 start H4

Herhaling H 1 - 3
Lesplan bespreken
Start H4
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsBeroepsopleiding

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Herhaling H 1 - 3
Lesplan bespreken
Start H4

Slide 1 - Tekstslide

hoofdzin
hoofdzin met inversie
bijzin
Ik ben morgen jarig.
Morgen ben ik jarig.
Morgen ben ik jarig, daarom trakteer ik.
Omdat ik morgen jarig ben, trakteer ik.

Slide 2 - Tekstslide

Schrijf een hoofdzin over de les.

Slide 3 - Open vraag

Schrijf een hoofdzin met inversie over vanmorgen.

Slide 4 - Open vraag

Schrijf een hoofdzin met bijzin over het komende weekeinde.

Slide 5 - Open vraag

passieve vorm
De handelende persoon is niet het onderwerp.

Een duurzamere wereld moet door de burgers worden betaald.

Slide 6 - Tekstslide

Maak de zin passief

Slide 7 - Open vraag

Maak de zin passief
Bezoekers mogen hier niet roken.

Slide 8 - Open vraag

Maak de zin actief.
Het kantoor is gebouwd door een bekende architect.

Slide 9 - Open vraag

Maak de zin actief.
De vuile kopjes moeten in de vaatwasser worden gezet.

Slide 10 - Open vraag

De werkstukken worden door de docent __________
A
beoordeeld
B
beoordeelt
C
beoordelen
D
gebeoordeeld

Slide 11 - Quizvraag

Vorige week is hij naar Spanje __________
A
emigreert
B
emigreerd
C
geëmigreerd
D
ge-emigreert

Slide 12 - Quizvraag

Vader __________ het huis groen.
A
vervt
B
vervd
C
verfd
D
verft

Slide 13 - Quizvraag

Ik __________ vorige maand naar een appartement in het centrum.
A
verhuiste
B
verhuisde
C
verhuist
D
verhuisd

Slide 14 - Quizvraag

Onze visie is gestoeld _______ de overtuiging dat ieder kind wil leren.
A
van
B
naar
C
op
D
tot

Slide 15 - Quizvraag

De journaliste is _______ mening dat de wetenschapper gefraudeerd heeft.
A
van
B
naar
C
op
D
tot

Slide 16 - Quizvraag

De hoogleraar doet onderzoek _______ de factoren die meespelen bij studiekeuze.
A
met
B
naar
C
op
D
in

Slide 17 - Quizvraag

kinderen hebben recht _______ onderwijs.
A
met
B
naar
C
op
D
in

Slide 18 - Quizvraag

deze cursus
Hoofdstuk 4, 5 en 6
startniveau B1 / B2
verwacht niveau B2

Globaal Programma
Hoofdstuk 4 - 6 Nederlands op niveau
aandacht voor eigen teksten:
e-mails, presentaties, rapporten enz.

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Link

opdracht 10
leidinggevende
afdwingen
afkomst
onderdrukken
opeisen
voortijdig
inrichten
wijden aan
behandelen
opvatting

Slide 21 - Tekstslide

plusquamperfectum 
informatie over iets dat (nog) eerder is gebeurd
  • vertellen

na 'toen'
 imperfectum 
opeenvolging van zinnen
  • vertellen
  • beschrijven

na 'toen'
perfectum 
relatie met het heden
heden en verleden
  • informatie geven

Slide 22 - Tekstslide

Johan heeft in de jaren negentig Nederlands gestudeerd.
 (Dat doet hij nu niet meer. Hij is inmiddels docent.)
In zijn studententijd heeft hij nog aan de 'Vier mijl van Groningen' meegedaan
(Dat was een incidenteel, geen gewoonte.)
perfectum 
legt een relatie  tussen heden en v erleden
focust niet op een bepaald moment
beschrijft geen gewoonte in het verleden 

Slide 23 - Tekstslide

Johan studeerde in de jaren negentig Nederlands. 
(Is hij gestopt? Studeert hij nog steeds Nederlands? Is hij opnieuw begonnen?)
In zijn studententijd deed hij nog mee aan de 'Vier mijl van Groningen'. 
(Hij schreef zich elk jaar in.)
 imperfectum 
legt geen relatie tussen heden en v erleden
focust op een bepaald moment
beschrijft een gewoonte in het verleden

Slide 24 - Tekstslide

imperatief
bevel, instructie, gebod
gebruik de ik-vorm van het werkwoord als eerste woord.


Maak verse en minimaal bewerkte voedingsmiddelen tot basis van uw voedingspatroon.
Eet je bord leeg!
Eet je bord maar even leeg.
Eet je bord nou eens leeg.

Slide 25 - Tekstslide

modale partikels
Kom binnen
Kom maar binnen
Kom even binnen.
Kom maar even binnen.
Ga zitten.
Ga maar zitten.
Ga even zitten.
Ga maar even zitten.
Kijk op blz. 20.
Kijk maar op blz. 20.
Kijk even op blz. 20.
Kijk maar even op blz. 20.

Slide 26 - Tekstslide

Hoofdstuk 6 - opdracht 9 en 10
Ik zou er goed over nadenken.
Ik zou er nou toch nog maar wel even goed over nadenken.
verzachten
versterken
verbazing en ongeduld
verzoek of voorstel
van gedachten veranderd

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Video

Slide 29 - Link

huiswerk
opdracht 21
Lees tekst A of B 
bestudeer de vocabulaire van beide teksten

Slide 30 - Tekstslide

opdracht 24 en 25, blz. 168 / 169

Slide 31 - Tekstslide

zouden / irrealis
Als [...] zou(den) verb, zou(den) [...] verb.
Als [...] imperfectum, zou(den) [...] verb.
Als [...] zou(den) verb, imperfectum [...].
Als [...] imperfectum, imperfectum [...].
Als [ik de loterij] zou winnen, zou [ik naar Frankrijk] verhuizen.
Als [ik de loterij] won, zou [ik naar Frankrijk] verhuizen.
Als [ik de loterij] zou winnen, verhuisde [ik naar Frankrijk].
Als [ik de loterij] won, verhuisde [ik naar Frankrijk].
opdracht 40

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Link

verstomd
A
zeer verbaasd
B
doof

Slide 34 - Quizvraag

ontrafeld
A
gemaakt
B
opgelost

Slide 35 - Quizvraag

bovenal
A
allereerst
B
opgelost

Slide 36 - Quizvraag