cross

Bespreking examenteksten

Examenteksten 1 en 4 
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 4

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Examenteksten 1 en 4 

Slide 1 - Tekstslide

Tekst 1

Slide 2 - Tekstslide

1. Een tekst kan op verschillende manieren ingeleid worden.
bijvoorbeeld door
1 een belangrijke conclusie voorop te stellen
2 een samenvatting van de tekst te geven
3 een voor de tekst belangrijke vraag te stellen
4 een voorbeeld bij het onderwerp te geven
Welke twee manieren worden in alinea’s 1, 2 en 3 gebruikt om de tekst in
te leiden?
A
1 en 2
B
1 en 4
C
2 en 3
D
2 en 4

Slide 3 - Quizvraag

2. In alinea 3 staat: “Koopverslaving is een aandoening geworden,
‘ontspullen’ een trend (…).”
In welke andere alinea komt deze tegenstelling het duidelijkst terug?

A
in alinea 5
B
in alinea 6
C
in alinea 7
D
in alinea 8

Slide 4 - Quizvraag

3. In alinea 4 zeggen Lisa en Renée dat ze het eigenlijk afschuwelijk vinden
om bij Primark te winkelen.
Noem de drie redenen die zij in alinea 4 geven waarom ze liever niet
bij Primark winkelen.

Slide 5 - Open vraag

4. Welke zin uit alinea 5 geeft het duidelijkst aan wat Lisa en Renée eigenlijk
vinden van de producten die te koop zijn bij Primark?
A
“Een beetje neuzen is vrouwen eigen.” (regels 46-47)
B
“En nu zitten ze hier met allebei twintig paar sokken, een shirtje, twee shortjes, een olifantenpyjamabroek en een kaars.” (regels 47-50 )
C
“Wij zijn wat ouder, we weten zo langzamerhand wat onze kledingstijl is.” (regels 52-54)
D
“Als wij iets écht leuks willen, gaan we liever naar wat kleinere winkels.” (regels 54-56)

Slide 6 - Quizvraag

5. “Veel mensen kopen daar om het kopen”, zegt Renée. “Zo zijn wij niet.”
(regels 50-52)
Citeer de zin uit alinea 5 die de bewering van Renée tegenspreekt.

Slide 7 - Open vraag

6. “Wooldrik vaart haar eigen koers.” (regel 115)
Leg uit wat er met deze zin bedoeld wordt en geef een passend
voorbeeld bij de betekenis uit alinea 11.

Slide 8 - Open vraag

7. “Maar ja, ik ben natuurlijk niet de doelgroep van Primark. Ik ben bovendien niet het type dat graag winkelt.” (regels 135-138)
Welk verband bestaat er tussen deze twee zinnen?
De tweede zin
A
geeft een conclusie bij de eerste zin.
B
laat een gevolg zien bij de eerste zin.
C
noemt een voorbeeld bij de eerste zin.
D
vormt met de eerste zin een opsomming.

Slide 9 - Quizvraag

8. Ans Wooldrik geeft in alinea 12 twee keerzijden aan van Primark.
Noteer de twee verschillende keerzijden die zij noemt.

Slide 10 - Open vraag

9. “Enkele meters vanaf het gekrioel in Primark begroet goud- en zilversmid
Cees Wolf iedere klant die binnenkomt.” (regels 140-143)
Welke uitspraak past het beste bij deze zin?
A
De winkel van Wolf draait niet zo goed. Daarom moet hij iedere klant persoonlijk begroeten.
B
Primark heeft heel veel klanten. Het personeel wil daarom niet iedere klant begroeten.
C
Wolf begroet iedere klant persoonlijk. Bij Primark kan dat niet door de drukte.
D
Wolf heeft niets beters met zijn tijd te doen. Daarom begroet hij iedere klant die binnenkomt.

Slide 11 - Quizvraag

10. Alinea 13 bevat een voorbeeld.
Waarom wordt dat voorbeeld gegeven?
om aan te tonen dat er winkels zijn
A
die meer tegenstanders hebben dan Primark
B
die veel langer bestaan dan winkels als Primark
C
met andere waarden dan winkels als Primark
D
waar het meer om in- en verkoop draait dan bij Primark

Slide 12 - Quizvraag

Citeer de zin uit alinea 1, 2 of 3 die het beste de hoofdgedachte van de
tekst weergeeft.

Slide 13 - Open vraag

Tekst 4

Slide 14 - Tekstslide

17. Een tekst kan op verschillende manieren ingeleid worden.
bijvoorbeeld door
1 de aanleiding voor het schrijven van de tekst geven
2 een anekdote vertellen
3 een voorbeeld geven bij het onderwerp van de tekst
4 zijn eigen mening geven
Welke manieren worden in alinea 1 en 2 gebruikt om de tekst in te leiden?
A
1 en 2
B
1 en 4
C
2 en 3
D
2 en 4

Slide 15 - Quizvraag

18. “Werken om voedselverspilling tegen te gaan, is meer dan een nobel
streven. Het is een morele verplichting ten opzichte van de hongerigen op
de wereld en op termijn bittere noodzaak.” (regels 19-24)
Wat is het verband tussen deze twee zinnen?
De tweede zin
A
geeft een gevolg van wat er in de eerste zin gesteld wordt.
B
geeft een uitwerking bij wat er in de eerste zin gesteld wordt.
C
geeft een voorbeeld bij wat er in de eerste zin gesteld wordt.
D
vormt samen met de eerste zin een opsomming.

Slide 16 - Quizvraag

19. Volgens alinea 3 is werken om voedselverspilling tegen te gaan op termijn
bittere noodzaak.
De schrijver geeft in deze alinea twee redenen voor deze noodzaak.
Citeer de woordgroep waarin deze twee redenen aangegeven worden.

Slide 17 - Open vraag

20. Citeer de zin uit alinea 4 die het duidelijkst aangeeft waarom de grote
voedselverspilling een probleem is.

Slide 18 - Open vraag

21. De schrijver noemt in alinea 5 en alinea 6 drie verschillende redenen
waarom de doggybag in Nederland nog niet gebruikelijk is.
Noteer deze drie redenen.

Slide 19 - Open vraag

22. De schrijver gelooft niet dat een doggybagwet echt verschil gaat maken
bij onwillige restauranthouders. Toch vindt hij dat zo’n wet er wel moet
komen.
Citeer de zin uit alinea 7 die het duidelijkst zijn argument hiervoor
weergeeft.

Slide 20 - Open vraag

23. “Die hebben toch al zoveel op hun bord.” (regels 79-80)
Deze zin kan zowel letterlijk als figuurlijk bedoeld worden.
Leg uit wat de figuurlijke betekenis is.

Slide 21 - Open vraag

24. Een schrijver kan een tekst op verschillende manieren afsluiten:
1 door een aanbeveling te doen
2 door een conclusie te trekken
3 door een samenvatting te geven
4 door een toekomstverwachting te geven
5 door een waarschuwing te geven
Welke drie manieren vind je terug in alinea 8?

Slide 22 - Open vraag

25. Wat is het belangrijkste doel van de schrijver van deze tekst?
De schrijver wil
A
de Nederlandse lezer informeren over de doggybagwet.
B
de Nederlandse lezer overtuigen van het belang van een doggybagwet.
C
de Nederlandse overheid informeren over het gebruik van een doggybag.
D
de Nederlandse overheid overtuigen van het belang van een doggybag.

Slide 23 - Quizvraag

Hoe kun je de hoofdgedachte van deze tekst het beste weergeven?
A
De Franse overheid voldoet aan haar morele verplichting ten opzichte van alle hongerigen op de wereld met de doggybagwet.
B
Het invoeren van een doggybagwet is de oplossing voor het voedselprobleem veroorzaakt door het Westen.
C
Het invoeren van een doggybagwet kan mensen steunen in de strijd om voedselverspilling tegen te gaan.
D
Restauranthouders in Nederland zouden hun klanten sneller een doggybag mee moeten geven.

Slide 24 - Quizvraag