cross

4 Trappen van vergelijking en als/dan

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS
1 / 75
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 75 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 1 - Tekstslide

DOEL

- je weet wanneer je als/dan moet gebruiken bij de trappen van vergelijking
trappen van vergelijking en 
als en dan

Slide 2 - Tekstslide

TRAPPEN VAN VERGELIJKING

Slide 3 - Tekstslide

slim - slimmer - slimst

  1. Ik ben slim.
  2. Jij bent slimmer.
  3. En hij is het slimst.



Slide 4 - Tekstslide

groot - groter - grootst

  1. Jij bent groot.
  2. Ik ben groter.
  3. Hij is het grootst.


Slide 5 - Tekstslide

En nu jij ...


De boom is dik.
Die boom is ... ? ...
En deze boom is het dikst.

Slide 6 - Tekstslide

De boom is dik.
Die boom is ... ? ...
En deze boom is het dikst.

Slide 7 - Open vraag

En nu jij ...

Pim is sterk.
Mijn vader is sterker.
En hij is het ... ? ...

Slide 8 - Tekstslide

Pim is sterk.
Mijn vader is sterker.
En hij is het ... ? ...

Slide 9 - Open vraag

En nu jij ...

De toren van Pisa is hoog.
De Eiffeltoren is ... ? ...
De Burg Khalifa is het hoogst.



Slide 10 - Tekstslide

De toren van Pisa is hoog.
De Eiffeltoren is ... ? ...
De Burg Khalifa is het hoogst.

Slide 11 - Open vraag

Uitzondering
Bij enkele woorden zijn
de trappen van vergelijking iets anders.

Kim heeft een oude rolstoel,
maar die rijdt nog goed.

Slide 12 - Tekstslide

De rolstoel van Yu Feng is nieuw,
die rijdt ...
A
graag
B
minder
C
beter
D
liever

Slide 13 - Quizvraag

Rian heeft een dure rolstoel,
die rijdt het ...
A
best
B
minst
C
beter
D
graag

Slide 14 - Quizvraag

Limonade is niet duur,
het kost ...

Slide 15 - Open vraag

Doe oortjes in

en bekijk de volgende filmpjes!

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Video

Slide 18 - Video

OEFENING

In de volgende slides staan woorden.

 

Schrijf van ieder woord de vergelijkende trap op:

stellende trap - vergrotende trap - overtreffende trap

Fouten maken mag, verbeter deze wel!

Slide 19 - Tekstslide

aardig

Slide 20 - Open vraag

saai

Slide 21 - Open vraag

broos

Slide 22 - Open vraag

duf

Slide 23 - Open vraag

hoorbaar

Slide 24 - Open vraag

raar

Slide 25 - Open vraag

fantastisch

Slide 26 - Open vraag

enthousiast

Slide 27 - Open vraag

praktisch

Slide 28 - Open vraag

vast

Slide 29 - Open vraag

woest

Slide 30 - Open vraag

goed

(let op: dit is een bijzonder geval)

Slide 31 - Open vraag

veel

(let op: dit is een bijzonder geval)

Slide 32 - Open vraag

weinig

(let op: dit is een bijzonder geval)

Slide 33 - Open vraag

Lees de twee zinnen goed

1. Jij vindt hem beter dan mij.


2. Jij vindt hem beter dan ik.


Beide zinnen zijn goed.

Leg in de volgende slide uit wat het verschil is in betekenis tussen beide zinnen.

Slide 34 - Tekstslide

1. Jij vindt hem beter dan mij.

2. Jij vindt hem beter dan ik.

Slide 35 - Open vraag

Lees de twee zinnen goed

1. Ik vind dat Kees Chantal meer aandacht geeft dan ik.


2. Ik vind dat Kees Chantal meer aandacht geeft dan mij.


Beide zinnen zijn goed.

Leg in de volgende slide uit wat het verschil is in betekenis tussen beide zinnen.

Slide 36 - Tekstslide

1. Ik vind dat Kees Chantal meer aandacht geeft dan ik.

2. Ik vind dat Kees Chantal meer aandacht geeft dan mij.

Slide 37 - Open vraag

OEFENING

In de volgende slides staan zinnen.

 

Noteer de vergrotende of overtreffende trap van

het bijvoeglijk naamwoord.


Fouten maken mag,
verbeter deze wel!

Slide 38 - Tekstslide

Op school is Arthur veel (stil) dan thuis.

Slide 39 - Open vraag

Welke cabaretier vind jij het (komisch)?

Slide 40 - Open vraag

Zoey is veel (stoer) dan haar tweelingzus Kelly.

Slide 41 - Open vraag

De toestand in het vluchtelingenkamp werd steeds (uitzichtloos).

Slide 42 - Open vraag

Dat zwarte jurkje lijkt mij het (gepast) voor een begrafenis.

Slide 43 - Open vraag

Joël kan het (hoog) springen van ons allemaal.

Slide 44 - Open vraag

Een altsax klinkt hoger ___ een tenorsax.
A
als
B
dan

Slide 45 - Quizvraag

Ik vind paprikachips even lekker ___ naturelchips.
A
als
B
dan

Slide 46 - Quizvraag

Vandaag speelde PSV minstens zo goed ___ gisteren.
A
als
B
dan

Slide 47 - Quizvraag

In deze sportschool zijn senioren net zo welkom ___ jongeren.
A
als
B
dan

Slide 48 - Quizvraag

Tweedehandswinkel floreren nu meer ___ tien jaar geleden.
A
als
B
dan

Slide 49 - Quizvraag

De nieuwe secretaresse werkt bijna net zo secuur ___ de vorige.
A
als
B
dan

Slide 50 - Quizvraag

Het is op de Canarische Eilanden heel wat warmer ___ hier.
A
als
B
dan

Slide 51 - Quizvraag

Sedoc vindt honden heel wat leuker ___ katten.
A
als
B
dan

Slide 52 - Quizvraag

Jindy is veel ijveriger dan ___ ben.
A
ik
B
mij

Slide 53 - Quizvraag

Waarom zijn wij later vrij dan ___ zijn?
A
hun
B
zij

Slide 54 - Quizvraag

Ik denk dat jij sneller kan lopen dan ___ kan.
A
hem
B
hij

Slide 55 - Quizvraag

Danny krijgt net zo veel zakgeld als ___ krijg.
A
ik
B
mij

Slide 56 - Quizvraag

Marcel finishte net iets eerder dan ___.
A
ik
B
mij

Slide 57 - Quizvraag

Svens tweelingzus is tien minuten ouder dan ___.
A
hem
B
hij

Slide 58 - Quizvraag

De buren hebben net zo'n auto gekocht als ___.
A
ons
B
wij

Slide 59 - Quizvraag

Meestal zijn Petroesjka en Eric het eerst op school, maar vandaag waren wij er eerder dan ___.
A
hun
B
zij

Slide 60 - Quizvraag

Volgens Leunora kan Kyra beter tekenen dan ___.
A
haar
B
zij

Slide 61 - Quizvraag

Fred denkt dat ik net zo veel van voetbal houd als ___.
A
hem
B
hij

Slide 62 - Quizvraag

Wouter speelt nog vaker computergames dan ____.
A
jij
B
jou

Slide 63 - Quizvraag

Zara had even veel punten gemaakt bij basketbal als ____.
A
ik
B
mij

Slide 64 - Quizvraag

Mary is goed in wiskunde, maar Richenda is nog beter ____.
A
als haar
B
als zij
C
dan haar
D
dan zij

Slide 65 - Quizvraag

Volgens mij krijg jij veel meer aandacht van Jonas ____.
A
als ik
B
als mij
C
dan ik
D
dan mij

Slide 66 - Quizvraag

Onze trainer denkt dat het andere team even veel kans maakt op de beker ____.
A
als ons
B
als wij
C
dan ons
D
dan wij

Slide 67 - Quizvraag

Gaan jullie dit jaar weer naar dezelfde camping ____.
A
als hun
B
als zij
C
dan hen
D
dan zij

Slide 68 - Quizvraag

Mijn ouders voeden mijn broer precies hetzelfde op ____.
A
als ik
B
als mij
C
dan ik
D
dan mij

Slide 69 - Quizvraag

Tjen zit liever naast Sarah dan naast Lotte, want hij vindt haar aardiger ____.
A
als haar
B
als zij
C
dan haar
D
dan zij

Slide 70 - Quizvraag

Jelles zus heeft precies zulke blauwe ogen ____.
A
als hem
B
als hij
C
dan hem
D
dan hij

Slide 71 - Quizvraag

DOEL

- je weet wanneer je als/dan moet gebruiken bij de trappen van vergelijking
trappen van vergelijking en 
als en dan

Slide 72 - Tekstslide

Schrijf één ding op wat je deze les hebt geleerd en niet meer vergeet.

Slide 73 - Open vraag

Stel één vraag over iets dat je nog niet zo goed
hebt begrepen.

Slide 74 - Open vraag

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 75 - Tekstslide