cross

G3 - redekundig ontleden 1-2-3

Redekundig ontleden 1-2-3, toets: 29-10
De toets gaat over de volgende stof: 
  • H1, blz. 22-25
  • H2, blz. 70-74
  • H3, blz. 115-119

1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 37 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Redekundig ontleden 1-2-3, toets: 29-10
De toets gaat over de volgende stof: 
  • H1, blz. 22-25
  • H2, blz. 70-74
  • H3, blz. 115-119

Slide 1 - Tekstslide

Wat moet je kunnen/weten? 
  • Zinsontleding: ond, wwg/nwg, lv, mv, vzv, bwb -  bijst, bvb 
  • Herkennen: samengestelde of enkelvoudige zinnen
  • Benoemen: hoofdzin of bijzin 
  • Benoemen: nevenschikkend of onderschikkend (voegwoorden kennen!)
  • Benoemen: bijzinnen (let op bijvoeglijke bijzin, anders dan de rest!)
  • Kunnen: bijzinnen vervangen voor één zinsdeel - en andersom 
  • Herkennen: beknopte bijzin. Kunnen: beknopte bijzin juist maken 
  • Herkennen: lijdende en bedrijvende vorm, werkwoordstijden
  • Kennen: alle theoretische kennis, zie bladzijdes op eerste dia. 

Slide 2 - Tekstslide

zinsontleding, herhaling
  • werkwoordelijk gezegde OF naamwoordelijk gezegde
  • onderwerp
  • lijdend voorwerp
  • meewerkend voorwerp
  • voorzetselvoorwerp
  • bijwoordelijke bepaling

  • bijvoeglijke bepaling
  • bijstelling 

Slide 3 - Tekstslide

Stap 1: onderstreep de PV en zet zinsdeelstrepen
PV = werkwoord dat verandert als je de tijd/het getal aanpast. 
zinsdelen = woorden die bij elkaar horen en blijven als je de volgorde verandert. 

  1. Mijn vervelende zus en haar vriendengroep / worden / morgen / door mijn ouders / naar het vliegveld / gebracht / voor een vakantie naar Ibiza. 

 

Slide 4 - Tekstslide

  1. Volgens meteorologen bedreigt een zeer zware storm de oostkust van de Verenigde staten.
  2. Vorig weekend waren wij op bezoek bij familie in Winsum, ten noorden van Groningen.
  3. Freek Vonk, de bekende tv-presentator, is net als ik dol op wilde dieren.
  4. Ons is voor de herkansing van de rekentoets een stiltelokaal beloofd.
  5. Op de actiedag voor Haïti zijn zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen aan ouders en leraren verkocht.
  6. Die pas geopende kledingwinkel schijnt nu alweer failliet te zijn. 
Onderstreep PV en zet zinsdeelstrepen:

Slide 5 - Tekstslide

  1. Volgens meteorologen / bedreigt / een zeer zware storm / de oostkust van de Verenigde staten.
  2. Vorig weekend / waren / wij / op bezoek / bij familie / in Winsum, ten noorden van Groningen.
  3. Freek Vonk, de bekende tv-presentator,/ is /net als ik / dol / op wilde dieren.
  4. Ons /is /voor de herkansing van de rekentoets / een stiltelokaal / beloofd.
  5. Op de actiedag voor Haïti / zijn / zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen/ aan ouders en leraren / verkocht.
  6. Die pas geopende kledingwinkel/ schijnt /nu /alweer /failliet/ te zijn. 

Slide 6 - Tekstslide

Stap 2: NWG of WWG
Zoek eerst alle werkwoorden in de zin. Drukken die een toestand uit > nwg. Drukken die een handeling uit > wwg. 

NWG: 
  • alleen koppelwerkwoorden (zijn, worden, lijken, schijnen, blijken, heten, dunken, voorkomen, blijven, heten) 
  • koppelen het onderwerp aan een kenmerk. Dat kenmerk noem je dan ook een NWG. 

Slide 7 - Tekstslide

  1. Volgens meteorologen / bedreigt / een zeer zware storm / de oostkust van de Verenigde staten.
  2. Vorig weekend / waren / wij / op bezoek / bij familie / in Winsum, ten noorden van Groningen.
  3. Freek Vonk, de bekende tv-presentator,/ is /net als ik / dol / op wilde dieren.
  4. Ons /is /voor de herkansing van de rekentoets / een stiltelokaal / beloofd.
  5. Op de actiedag voor Haïti / zijn / zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen/ aan ouders en leraren / verkocht.
  6. Die pas geopende kledingwinkel/ schijnt /nu /alweer/ failliet/ te zijn. 
NWG of WWG? 

Slide 8 - Tekstslide

  1. wwg = bedreigt   
  2. wwg = waren      
  3. nwg = is dol         
  4. wwg = is beloofd 
  5. wwg = zijn verkocht  
  6. nwg = schijnt failliet te zijn 

Slide 9 - Tekstslide

Stap 3: onderwerp
Je vindt het onderwerp door de volgende vraag te stellen: 
Wie / wat + gezegde? Het antwoord is het onderwerp. 



Andere manier: het onderwerp verandert altijd van getal als je de pv van getal verandert. 

Slide 10 - Tekstslide

  1. Volgens meteorologen / bedreigt een zeer zware storm / de oostkust van de Verenigde staten.
  2. Vorig weekend / waren / wij / op bezoek / bij familie / in Winsum, ten noorden van Groningen.
  3. Freek Vonk, de bekende tv-presentator,/ is /net als ik / dol / op wilde dieren.
  4. Ons /is /voor de herkansing van de rekentoets / een stiltelokaal / beloofd.
  5. Op de actiedag voor Haïti / zijn zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen/ aan ouders en leraren / verkocht.
  6. Die pas geopende kledingwinkel /schijnt/ nu /alweer/ failliet /te zijn

Slide 11 - Tekstslide

Stap 4: lijdend voorwerp
Let op! In een zin met een NWG kan geen lijdend voorwerp staan.

Voor bepaalde handelingen heb je iets nodig. Je moet altijd iets geven. Je moet altijd iemand bellen. Datgene wat je nodig hebt, is vaak het lijdend voorwerp. Ik moet altijd iemand slaan of iets schoppen. 

Makkelijker: 
Wie/wat + wwg + ond? > lijdend voorwerp 


Slide 12 - Tekstslide

  1. Volgens meteorologen / bedreigt een zeer zware storm / de oostkust van de Verenigde staten.
  2. Vorig weekend / waren / wij / op bezoek / bij familie / in Winsum, ten noorden van Groningen.
  3. Freek Vonk, de bekende tv-presentator,/ is /net als ik / dol / op wilde dieren.
  4. Ons /is /voor de herkansing van de rekentoets / een stiltelokaal / beloofd.
  5. Op de actiedag voor Haïti / zijn zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen/ aan ouders en leraren / verkocht.
  6. Die pas geopende kledingwinkel /schijnt/ nu /alweer/ failliet /te zijn

Slide 13 - Tekstslide

Stap 5: meewerkend voorwerp
Het meewerkend voorwerp is de ontvanger van de handeling/toestand. Het is altijd een persoon

Je geeft altijd iets aan iemand. Je bewaart iets voor iemand.

Aan/voor wie + gezegde + onderwerp (+lv)? > meerwerkend voorwerp


Slide 14 - Tekstslide

  1. Volgens meteorologen / bedreigt een zeer zware storm / de oostkust van de Verenigde staten.
  2. Vorig weekend / waren / wij / op bezoek / bij familie / in Winsum, ten noorden van Groningen.
  3. Freek Vonk, de bekende tv-presentator,/ is /net als ik / dol / op wilde dieren.
  4. Ons /is /voor de herkansing van de rekentoets / een stiltelokaal / beloofd.
  5. Op de actiedag voor Haïti / zijn zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen/ aan ouders en leraren / verkocht.
  6. Die pas geopende kledingwinkel /schijnt/ nu /alweer/ failliet /te zijn

Slide 15 - Tekstslide

Stap 6: voorzetselvoorwerp
Het voorzetselvoorwerp is een erg lastig onderdeel. Zelfs Neerlandici hebben hier discussies over. Met onderstaande manieren kan je de meeste zinnen (zeker jullie zinnen) echter wel maken! 

Kenmerken vzv: 
  • zinsdeel begint met een voorzetsel 
  • dat voorzetsel hoort bij het werkwoord uit die zin. Je kan het voorzetsel niet veranderen of weglaten. (wachten op, kijken naar, afzien van) 

Slide 16 - Tekstslide

  1. Volgens meteorologen / bedreigt een zeer zware storm / de oostkust van de Verenigde staten.
  2. Vorig weekend / waren / wij / op bezoek / bij familie / in Winsum, ten noorden van Groningen.
  3. Freek Vonk, de bekende tv-presentator,/ is /net als ik / dol / op wilde dieren.
  4. Ons /is /voor de herkansing van de rekentoets / een stiltelokaal / beloofd.
  5. Op de actiedag voor Haïti / zijn zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen/ aan ouders en leraren / verkocht.
  6. Die pas geopende kledingwinkel /schijnt/ nu /alweer/ failliet /te zijn

Slide 17 - Tekstslide

Stap 7: bijwoordelijke bepaling
Een bijwoordelijke bepaling geeft meer informatie over het gezegde. Het geeft vaak antwoord op de vraag: 
  • waar? wanneer? waarom? waardoor? hoe?  hoeveel? hoevaak? hoe erg? waarheen? 

Slide 18 - Tekstslide

Uitleg 
  1. Onderstreep de pv en zet zinsdeelstrepen (alles wat voor de PV kan)
  2. Bepaal: naamwoordelijk of werkwoordelijk gezegde (zie volgende dia)
  3. Onderwerp = wie/wat + gezegde?
  4. Lijdend voorwerp (alleen bij wwg) = wie/wat + ond + wwg? 
  5. Meewerkendv voorwerp = aan/voor wie + ond + gezegde (+lv)? 
  6. Voorzetselvoorwerp = begint met een vast voorzetsel bij een werkwoord 
  7. Bijwoordelijke bepaling = geeft antwoord op hoe/wanneer/waar/etc. 

  1. Bijvoeglijke bepaling = het mooie meisje, de kat van de buren 
  2. Bijstelling = extra informatie bij het onderwerp 

Slide 19 - Tekstslide

Hoofdzinnen en bijzinnen 
Maken opdracht 4 en 5 

Slide 20 - Tekstslide

Hoofdzinnen en bijzinnen
  1. Ik ging gisteren naar school toen mijn moeder naar haar werk ging.

Bovenstaande zinnen bestaat eigenlijk uit twee zinnen. Het is een samengestelde zin.  In een samengestelde zin kunnen hoofdzinnen en bijzinnen gebruikt zijn.

Hoofdzin = de  zin waarin de persoonsvorm het eerste of tweede zinsdeel is.
Bijzin = de zin waarin de persoonsvorm niet het eerste of tweede zinsdeel is.

Slide 21 - Tekstslide

Hoofdzinnen en bijzinnen
Tussen de twee zinnen staan voegwoorden. Die voegwoorden kunnen nevenschikkend of onderscikkend zijn. 

nevenschikkende voegwoorden = en, want, maar , of 

Slide 22 - Tekstslide

Lijdende en bedrijvende vorm
Een zin kan in de lijdende of bedrijvende vorm staan. Je moet deze vormen kunnen herkennen en zelf kunnen gebruiken. 

De man koopt twee computer. 
Dit is een bedrijvende zin. Het onderwerp (de man) voert het gezegde uit.

De computers worden gekocht. 
Dit is een lijdende zin. Het onderwerp (de computers) ondergaat het gezegde. 

Slide 23 - Tekstslide

Tijden van de zin
Een zin kan in de volgende tijden staan: 
  • o.t.t.  = onvoltooide tegenwoordige tijd     Ik loop 
  • v.t.t. = voltooide tegenwoordige tijd            Ik heb gelopen 
  • o.v.t. = onvoltooide verleden tijd                   Ik liep
  • v.v.t. = voltooide verleden tijd                         Ik had gelopen 

 

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Boekopdracht
1. 12 november 
2. 13 januari 
3. 30 maart 
4. 22 juni 

Slide 26 - Tekstslide

Bijzinnen maken en vervangen
Je kan van een zinsdeel vaak een bijzin maken, door een onderwerp en persoonsvorm toe te voegen aan het zinsdeel. Bijvoorbeeld: 
Diegene mag zich melden bij de rector. 

In deze zin kan je diegene vervangen door een bijzin: degene die dit gedaan heeft. Zo krijg je een samengestelde zin: 
Degene die dit gedaan heeft, mag zich melden bij de rector. 


Slide 27 - Tekstslide

Bijzinnen maken en vervangen
Je kan het onderwerp, lijdend voorwerp, naamwoordelijk gezegde, meewerkendvoorwerp, voorzetselvoorwerp en de bijwoordelijke bepaling vervangen door een bijzin. 

  1. Ik heb haar een bos bloemen gegeven. 
  2. Mijn vader heeft in Winterswijk gewoond. 
  3. Die man is helemaal niet grappig. 
  4. Ik vertrouw helemaal op haar

Slide 28 - Tekstslide

Bijzinnen maken en vervangen
Andersom kan het ook: je kan een bijzin vervangen door één zinsdeel. 

  1. Ik had niet verwacht dat hij dat echt zou doen.
  2. Wij zijn gisteren gefietst langs het huis waar mijn oma vroeger woonde. 
  3. Tijdens het feest dat volledig uit hand liep, ben ik mijn telefoon verloren.
  4. Het meisje die die mooie tekeningen heeft gemaakt, is tot winnaar bekroond. 

Slide 29 - Tekstslide

Samengestelde zinnen ontleden
Als je een samengestelde zin moet ontleden, ontleed je alleen de hoofdzin. De bijzin benoem je op basis van de functie die de zin heeft als: 
  • onderwerpszin
  • lijdendvoorwerpszin
  • gezegdezin
  • meewerkendvoorwerpszin
  • voorzetselvoorwerpszin
  • bijwoordelijke bijzin
  • bijvoeglijke bijzin

Slide 30 - Tekstslide

Samengestelde zinnen ontleden
Bepaal eerst wat de bijzin en wat de hoofdzin is. De hoofdzin kan je 'gewoon' ontleden.

Als je gelijk ziet welke functie de bijzin heeft, kan je 'm direct benoemen. Als je dat lastig vindt, vervang je de bijzin eerst door één zinsdeel. Dan kan je gewoon het stappenplan van zinsontleding volgen. Welk zinsdeel is het? Schrijf dit als ....... - zin en je hebt de bijzin benoemd! 

Slide 31 - Tekstslide

Moeilijk: de bijvoeglijke bijzin
Hij is erg blij met het kapsel dat zijn kapper geknipt heeft. 

bijzin = dat zijn kapper geknipt heeft.
Vervangen? 

Hij is erg blij met het nieuwe kapsel. 
Je vervangt het voor een bvb, dus een bijvoeglijke bijzin. 

Slide 32 - Tekstslide

Oefenen:
  1. Wie de leukste oplossing had, werd ook een prijs gegeven. 
  2. Als je de antwoorden wil, mag je mij mailen.
  3. Het resultaat was wat ik verwachtte. 

Slide 33 - Tekstslide

huiswerk voor maandag: 
Maken opdracht 2, 4 en 6 (vanaf blz. 71).
Dit mag je op de computer doen, omdat je veel moet schrijven, maar je moet het dan wel geprint meenemen naar de les. 

Slide 34 - Tekstslide

beknopte bijzin
Een beknopte bijzin is een bijzin die je korter opschrijft: 
Na koffie gedronken te hebben, ging ze naar huis. 
Hard huilend kwam ze de school binnen. 

Een beknopte bijzin heeft geen onderwerp of persoonsvorm en heeft altijd een deelwoord OF te+infinitief 

Slide 35 - Tekstslide

verkeerd aansluitende beknopte bijzin
In de beknopte bijzin laat je het onderwerp en de persoon weg. Dat moet je wel goed doen! Kijk maar: 
Wachtend op de bus, reed de chauffeur hard voorbij. 

Het onderwerp in de hoofdzin moet hetzelfde zijn als het [verborgen] onderwerp van de beknopte bijzin. Zijn ze niet hetzelfde, dan moet je de zin volluit schrijven: 
Terwijl zij wachtte op de bus, reed de chauffeur hard voorbij. 

Slide 36 - Tekstslide

Maken: 
Blz. 116, opdracht: 3, 6, 8 (niet 8.2) 

Slide 37 - Tekstslide