cross

Hoofdstuk 1 les 1

A0 - A2
ca. 80 uur les
huiswerk min. 2 uur p/w
coutinho.nl

www.coutinho.nl
inlogcode
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2WOHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

A0 - A2
ca. 80 uur les
huiswerk min. 2 uur p/w
coutinho.nl

www.coutinho.nl
inlogcode

Slide 1 - Tekstslide

spreken
A - verbs / pronouns
your answer is always ja

B - nouns
yes or no
repeat or replace

Slide 2 - Tekstslide

What you don't use, 
you lose!
Goedemorgen.
Goedemiddag.
Tot morgen.
Fijn weekend.
Hoe gaat het?
Mag ik...
nieuwe woorden
televisie en radio
tomtom
kinderboeken

Slide 3 - Tekstslide

kennismaken

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoel Hoofdstuk 1
Je kunt:
  • je voorstellen en vertellen waar je woont / introduce yourself and tell where you live
  • tot 20 tellen / count to 20
  • introductie van de werkwoorden luisteren, hebben en zijn in de tt / introduction of the verbs luisteren, hebben and zijn  in the pt
Je kent / you know
  • het verschil tussen u en jij /  the difference between u and jij

Slide 5 - Tekstslide

kennismaken

Slide 6 - Tekstslide

kennismaken
J
You can:
 introduce yourself 
tell where you live
count to 20
use the verbs luisteren, hebben and zijn 
Je kunt:
jezelf voorstellen
vertellen waar je woont 
tot 20 tellen 
de werkwoorden luisteren, hebben en zijn gebruiken

Slide 7 - Tekstslide

personaal pronomen
Ik
jij
hij, zij/ze, het

wij/we
jullie
zij/ze
werk
jij werkt / werk jij
werkt

werken
werken
werken
personaal pronomen
werkwoord
schrijfwijze
nooit
soms
altijd

infinitief
infinitief
infinitief

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

personaal pronomen
Ik
jij
hij, zij/ze, het

wij/we
jullie
zij/ze

Slide 10 - Tekstslide

personaal pronomen
Ik
jij
hij, zij/ze, het

wij/we
jullie
zij/ze
werk
jij werkt / werk jij
werkt

werken
werken
werken

Slide 11 - Tekstslide

personaal pronomen
Ik
jij
hij, zij/ze, het

wij/we
jullie
zij/ze
werk
jij werkt / werk jij
werkt

werken
werken
werken
nooit
soms
altijd

infinitief
infinitief
infinitief
+t

Slide 12 - Tekstslide

personaal pronomen
Ik
jij
hij, zij/ze, het

wij/we
jullie
zij/ze
werk
jij werkt / werk jij
werkt

werken
werken
werken
personaal pronomen
nooit
soms
altijd

infinitief
infinitief
infinitief
+t
ik luister
jij luistert / luister jij?
hij luistert

we luisteren
jullie luisteren
ze luisteren

Slide 13 - Tekstslide

luisteren
luister
jij luistert / luister jij
luistert

luisteren
luisteren
luisteren
nooit
soms
altijd

infinitief
infinitief
infinitief
+t
Ik
jij
hij, zij/ze, het

wij/we
jullie
zij/ze

Slide 14 - Tekstslide

hebben
Ik
jij
hij, zij/ze, het

wij/we
jullie
zij/ze
heb
jij hebt / heb jij
heeft

hebben
hebben
hebben
nooit
soms
altijd

infinitief
infinitief
infinitief
+t

Slide 15 - Tekstslide

zijn
ben
jij bent / ben jij
is

zijn
zijn
zijn
Ik
jij
hij, zij/ze, het

wij/we
jullie
zij/ze
nooit
soms
altijd

infinitief
infinitief
infinitief
+t

Slide 16 - Tekstslide

Dag Anna. Woon ______ ook in Amsterdam?
A
wij
B
jij
C
zij

Slide 17 - Quizvraag

De andere docent is Paul. ___ komt uit Engeland.
A
Hij
B
Wij
C
Jij

Slide 18 - Quizvraag

Hans en Freek, hebben ___ het boek ook?
A
hij
B
jullie
C
ik

Slide 19 - Quizvraag

Mevrouw, woont ___ op nummer 24?
A
zij
B
hij
C
u

Slide 20 - Quizvraag

Het is pauze. ___ stoppen even.
A
Ik
B
We
C
je

Slide 21 - Quizvraag

Slide 22 - Tekstslide

het alfabet

Slide 23 - Tekstslide

zinsaccent

Slide 24 - Tekstslide

huiswerk
blz. 28, opdracht 11
blz. 30 - own vocabulary / nieuwe woorden gebruiken

inloggen op www.coutinho.nl
1.4 personaal pronomen
extra materiaal

Slide 25 - Tekstslide

Ik ______ in Accra?
A
woon
B
woont
C
wonen

Slide 26 - Quizvraag

personaal pronomen
Ik
jij
hij, zij/ze, het

wij/we
jullie
zij/ze
luister
jij luistert / luister jij
luistert

luisteren
luisteren
luisteren
personaal pronomen
werkwoord
schrijfwijze
nooit
soms
altijd

infinitief
infinitief
infinitief

Slide 27 - Tekstslide

Paul ___ uit Engeland.
A
kom
B
komt
C
komen

Slide 28 - Quizvraag

personaal pronomen
Ik
jij
hij, zij/ze, het

wij/we
jullie
zij/ze
heb
jij hebt / heb jij
heeft

hebben
hebben
hebben
personaal pronomen
wekwoord
schrijfwijze
nooit
soms
altijd

infinitief
infinitief
infinitief

Slide 29 - Tekstslide

Hans en Freek ___ een boek.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben

Slide 30 - Quizvraag

personaal pronomen
Ik
jij
hij, zij/ze, het

wij/we
jullie
zij/ze
ben
jij bent / ben jij
is

zijn
zijn
zijn
schrijfwihjze
nooit
soms
n.v.t. / na

infinitief
infinitief
infinitief
personaal pronomen
wekwoord

Slide 31 - Tekstslide

Dag Anna, woon ______ ook in Ghana?
A
wij
B
jij
C
zij

Slide 32 - Quizvraag

De andere docent is Paul. ___ komt uit Engeland.
A
Hij
B
Wij
C
Jij

Slide 33 - Quizvraag

Hans en Freek, hebben ___ het boek ook?
A
hij
B
jullie
C
ik

Slide 34 - Quizvraag

Mevrouw, woont ___ op nummer 24?
A
zij
B
hij
C
u

Slide 35 - Quizvraag

Het is pauze. ___ stoppen even.
A
Ik
B
We
C
Je

Slide 36 - Quizvraag

het alfabet

Slide 37 - Tekstslide

huiswerk
blz. 28, opdracht 11
blz. 30 - own vocabulary / nieuwe woorden gebruiken

inloggen op www.coutinho.nl
1.4 personaal pronomen
extra materiaal

Slide 38 - Tekstslide