cross

2 Goede start: grammatica (ow, lw en zn)

1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 1

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Introductie

In deze les herhalen de leerlingen zaken die zij geleerd hebben op de basisschool. Dit om de voorkennis te activeren. - Onderwerp van een zin - Het lidwoord - Het zelfstandig naamwoord

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

START



- wat weet je nog over het onderwerp van een zin?

- wat weet je nog over het zelfstandig naamwoord?

- wat weet je nog over het lidwoord?

taalverzorging grammatica


Slide 2 - Tekstslide

ZINSDELEN

onderwerp van een zin


- het onderwerp van een zin is: wie of wat iets doet

- het onderwerp van een zin kan één woord of meerdere woorden zijn

- het kan op verschillende plekken in een zin staan, maar het staat meestal naast de persoonsvorm

- je kunt het onderwerp van een zin vinden door de vraag te stellen:

wie of wat doet iets?


Slide 3 - Tekstslide

ZINSDELEN

onderwerp van een zin


BIJVOORBEELD:

Marieke schuift de deuren open.


Vraag: Wie schuift?

Antwoord: Marieke

Slide 4 - Tekstslide

ZINSDELEN

onderwerp van een zin


BIJVOORBEELD:

In het bos staan veel grote bomen.


Vraag: Wat staan?

Antwoord: veel grote bomen

Slide 5 - Tekstslide

Welke vraag moet je stellen om
het onderwerp te vinden?

Klas EM1A heeft een talentenjacht georganiseerd.
A
Wie heeft georganiseerd?
B
Wat heeft georganiseerd?

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?

Klas EM1A heeft een talentenjacht georganiseerd.
Wie heeft georganiseerd?

Slide 7 - Open vraag

Welke vraag moet je stellen om
het onderwerp te vinden?

Achter elkaar treden tien leerlingen op.
A
Wie treden op?
B
Wat treden op?

Slide 8 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?

Achter elkaar treden tien leerlingen op.
Wie treden op?

Slide 9 - Open vraag

Welke vraag moet je stellen om
het onderwerp te vinden?

Kim speelt een paar liedjes op de piano.
A
Wie speelt?
B
Wat speelt?

Slide 10 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?

Kim speelt een paar liedjes op de piano.
Wie speelt?

Slide 11 - Open vraag

Welke vraag moet je stellen om
het onderwerp te vinden?

In de pauze kun je iets lekkers kopen.
A
Wie kan kopen?
B
Wat kan kopen?

Slide 12 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?

In de pauze kun je iets lekkers kopen.
Wie kan kopen?

Slide 13 - Open vraag

Welke vraag moet je stellen?

De winnaars krijgen een bioscoopbon.
A
Wie krijgen?
B
Wat krijgen?

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?

De winnaars krijgen een bioscoopbon.
Wie krijgen?

Slide 15 - Open vraag

Welke vraag moet je stellen om
het onderwerp te vinden?

De auto moet voor een APK naar de garage.
A
Wie moet (naar de garage)?
B
Wat moet (naar de garage)?

Slide 16 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?

De auto moet voor een APK naar de garage.
Wat moet (naar de garage)?

Slide 17 - Open vraag

Wat is het onderwerp in de zin?

De docenten vergaderen over de rapporten.

Slide 18 - Open vraag

Wat is het onderwerp in de zin?

In de tuin zijn hoveniers aan het werk.

Slide 19 - Open vraag

Wat is het onderwerp in de zin?

De dokter roept de patiënt.

Slide 20 - Open vraag

Wat is het onderwerp in de zin?

De gids geeft de toerist informatie.

Slide 21 - Open vraag

Wat is het onderwerp in de zin?

Heeft de zilversmid jouw kettinkje gerepareerd?

Slide 22 - Open vraag

Wat is het onderwerp in de zin?

De monteur sleutelt aan de auto.

Slide 23 - Open vraag

Wat is het onderwerp in de zin?

De piloten wilden liever kapitein worden.

Slide 24 - Open vraag

WOORDSOORTEN

het lidwoord



- er zijn drie lidwoorden

de

het ('t)

een ('n)


Slide 25 - Tekstslide

WOORDSOORTEN

het zelfstandig naamwoord



- is een woord voor een mens, een dier, een plant, een ding

(me-di-pla-di)

- is een woord voor een naam of een gevoel


BIJVOORBEELD:

bakker, paard, tulp, tafel

Janneke, blij


Slide 26 - Tekstslide

WOORDSOORTEN

het lidwoord en het zelfstandig naamwoord





- je kunt altijd een lidwoord voor een zelfstandig naamwoord zetten


de muzikant, het konijn, de paardenbloem, een spijker, het plezier


Slide 27 - Tekstslide

Is het woord een zelfstandig naamwoord?

bovendien
A
ja
B
nee

Slide 28 - Quizvraag

Is het woord een zelfstandig naamwoord?

formulier
A
ja
B
nee

Slide 29 - Quizvraag

Is het woord een zelfstandig naamwoord?

gebruikelijk
A
ja
B
nee

Slide 30 - Quizvraag

Is het woord een zelfstandig naamwoord?

kwartaal
A
ja
B
nee

Slide 31 - Quizvraag

Is het woord een zelfstandig naamwoord?

ontmoeting
A
ja
B
nee

Slide 32 - Quizvraag

Is het woord een zelfstandig naamwoord?

dictee
A
ja
B
nee

Slide 33 - Quizvraag

Is het woord een zelfstandig naamwoord?

schutting
A
ja
B
nee

Slide 34 - Quizvraag

Is het woord een zelfstandig naamwoord?

snelheid
A
ja
B
nee

Slide 35 - Quizvraag

Is het woord een zelfstandig naamwoord?

voorbereid
A
ja
B
nee

Slide 36 - Quizvraag

Lees (en beluister) de tekst.

Slide 37 - Tekstslide

Noteer van zin 1 de twee zelfstandige naamwoorden. Staat er een lidwoord bij? Noteer dit ook.

Slide 38 - Open vraag

Noteer van zin 2 de twee zelfstandige naamwoorden. Staat er een lidwoord bij? Noteer dit ook.

Slide 39 - Open vraag

Noteer van zin 3 de twee zelfstandige naamwoorden. Staat er een lidwoord bij? Noteer dit ook.

Slide 40 - Open vraag

Noteer van zin 4 de twee zelfstandige naamwoorden. Staat er een lidwoord bij? Noteer dit ook.

Slide 41 - Open vraag

Noteer van zin 5 de twee zelfstandige naamwoorden. Staat er een lidwoord bij? Noteer dit ook.

Slide 42 - Open vraag

Noteer van zin 6 de twee zelfstandige naamwoorden. Staat er een lidwoord bij? Noteer dit ook.

Slide 43 - Open vraag

Noteer van zin 7 de twee zelfstandige naamwoorden. Staat er een lidwoord bij? Noteer dit ook.

Slide 44 - Open vraag

Noteer van zin 8 de twee zelfstandige naamwoorden. Staat er een lidwoord bij? Noteer dit ook.

Slide 45 - Open vraag

START


- je weet hoe je het onderwerp van een zin vindt

- je weet wat een zelfstandig naamwoord is

- je weet wat een lidwoord is

taalverzorging

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Tekstslide