Hoofdstuk 3.1 Groepsvorming

Groepsvorming
Binding
"De relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen mensen in een gezin of familie, tussen leden van een groep, in een maatschappij en op het niveau van een staat."

1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Groepsvorming
Binding
"De relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen mensen in een gezin of familie, tussen leden van een groep, in een maatschappij en op het niveau van een staat."

Slide 1 - Tekstslide

Een meteoriet slaat in op de aarde en beëindigt al het menselijk leven. Jij bent als enige over. Wat doe je? Hoe redt je jezelf?

Slide 2 - Woordweb

Leerdoelen
Je kent het kernconcept groepsvorming en kan dit in een bron herkennen.

Je kunt de vier verschillende typen bindingen benoemen en uit een bron herkennen.

Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen de ingroup en de outgroup en de begrippen insluiting en uitsluiting.

Je kent de drie redenen waarom mensen niet (meer) bij een groep horen.

Slide 3 - Tekstslide

Groepjes
Maak groepjes van 3.

Omschrijf met één woord op basis waarvan je deze groepjes hebt gemaakt. Wat hebben jullie bijvoorbeeld met elkaar gemeen?

Slide 4 - Tekstslide

Op basis waarvan hebben jullie groepen gemaakt?

Slide 5 - Woordweb

Bindingen
Mensen zijn afhankelijk van elkaar. Er zijn veel verschillende dingen waar wij elkaar voor nodig hebben. Denk aan het produceren van eten of het overdragen van kennis. We zijn dus met elkaar verbonden. 

Slide 6 - Tekstslide

Bindingen
We onderscheiden 4 soorten sociale bindingen

  1. Affectieve bindingen: emotioneel; positieve en negatieve gevoelens naar anderen. Het gevoel ergens bij te horen.
  2. Cognitieve bindingen: het leren van kennis en vaardigheden van elkaar.
  3. Economische bindingen: werk en schaarse goederen (ruilrelaties).
  4. Politieke bindingen: dingen die gezamenlijk geregeld moeten worden (collectieve goederen). Heeft te maken met mensen met politieke macht.

Slide 7 - Tekstslide

Op basis van welke binding hebben jullie zojuist een groep gemaakt? Leg uit waarom dit bij deze binding past.

Slide 8 - Open vraag

Affectieve binding
Cognitieve binding
Economische binding
Politieke binding
Een kind krijgt van zijn vader te horen hoeveel hij van hem houdt
Je ontvangt je salaris van de Appie
Een vrouw is lid van de VVD
Mensen werken niet alleen voor het geld maar ook voor de sociale contacten
Een moeder leert haar kind tot 10 tellen
Een stagiair loopt stage maar krijgt geen stagevergoeding
Je krijgt zakgeld van je ouders
Je moet naar het ziekenhuis

Slide 9 - Sleepvraag

Groepsvorming

Wederzijdse afhankelijkheden --> bindingen --> groepsvorming.

Groepsvorming is het tot stand komen van bindingen tussen meer dan twee mensen, die elkaar beïnvloeden en samen gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen.

Zij beïnvloeden elkaar want mensen die bij de groep komen, passen zich aan aan de groepsnormen. Daarnaast brengen zij ook hun eigen normen en waarden, waardoor zij zelf ook weer de groep(snorm) beïnvloeden. 

Slide 10 - Tekstslide

Wat weet je nog van groepsvorming?

Slide 11 - Woordweb

Groepsvorming
Wel of geen deel uitmaken van de groep?
Als gevolg van insluiting en uitsluiting ontstaat er een:




Ingroup: de mensen die tot de groep behoren
(zij delen een sociale identiteit)
Outgroup: de mensen die niet tot de groep behoren

Slide 12 - Tekstslide

Groepsvorming
Wanneer je onderdeel bent van een groep, ben je geneigd je te houden aan de groepsnormen (de gedragsregels binnen een groep). 
Dit gebeurt door sociale controle



Formele sociale controle:
vanuit beroep op functie anderen op regels wijzen, op basis van formele wetten en regels
Informele sociale controle:
Groepsleden wijzen elkaar op de waarden en normen van de groep.

Slide 13 - Tekstslide

Sociale controle en zo ja, formeel of informeel?
A
Geen sociale controle
B
Formeel
C
Informeel

Slide 14 - Quizvraag

Sociale controle en zo ja, formeel of informeel?
A
Geen sociale controle
B
Formeel
C
Informeel

Slide 15 - Quizvraag

Groepsvorming
Formele groep:
Groepen met vastgestelde regels. Er is sprake van een hiërarchie die is vastgelegd in taken en rollen. Doelen en normen zijn voor de groep gesteld. 

Informele groep:
Emotioneel met elkaar verbonden, geen officiële afspraken, flexibele rollenstructuur.


Slide 16 - Tekstslide

Formele groep of informele groep
A
Formeel
B
Informeel

Slide 17 - Quizvraag

Formele groep of informele groep
A
Formeel
B
Informeel

Slide 18 - Quizvraag

Groepsvorming
Wanneer hoor je niet meer bij een groep?
  • Mensen kunnen er niet meer bij horen. Bijvoorbeeld omdat ze verhuizen naar een andere plek of niet meer over voldoende inkomen beschikken.
  • Mensen mogen er niet meer bij horen. Bijvoorbeeld een sekte die het de leden verbiedt om contact te houden met hun families. Begrippen die hierbij horen zijn uitsluiting en discriminatie.
  • Mensen willen er uit vrije wil niet meer bij horen. We noemen dit ook wel dropping out en opting out. Denk daarbij aan iemand die vroeger met vrienden uitging maar nu er voor de kinderen wil zijn en vooral thuisblijft.

Slide 19 - Tekstslide

Denk aan de laatste keer dat je voor het eerst in een nieuwe groep terechtkwam. Hoe was dat? Wat deed jij?

Slide 20 - Woordweb

Fasen van groepsvorming
1. Oriëntatiefase: onzekerheid; hoe gaan we met elkaar om? Groepsnormen zijn onduidelijk. Wie neemt de leiding?
2. Conflictfase: verschillen in opvattingen worden duidelijk. Het is onduidelijk hoe met tegenstellingen wordt omgegaan. Groepen kunnen uit elkaar vallen.
3. Integratiefase: er komt een evenwicht tussen de verschillende meningen. Gedeelde normen worden duidelijk en samenwerking wordt mogelijk. 
4. Uitvoeringsfase: verwachtingen zijn duidelijk. Samenwerking loopt soepel.
5. Ordefase: de groepsleden proberen de manier van samenwerken aan verdere regels te binden en zo te komen tot institutionalisering.

Slide 21 - Tekstslide

Groepsvorming
Primaire groep:
Een groep met persoonlijke en emotionele banden, die elkaar steun biedt en loyaal is aan elkaar. Familie en vriendengroepen. De identiteiten van groepsleden worden sterk beïnvloed door primaire groepen. 

Secundaire groep:
Een groep die doelgericht, onpersoonlijk en functioneel georiënteerd is. Bijv. ambtenaren of kantoorpersoneel in een grote organisatie.

Slide 22 - Tekstslide

Aan de slag!

Slide 23 - Tekstslide


Checkvraag
Noem een persoonlijk voorbeeld waarin je het kernconcept groepsvorming kunt herkennen.

Slide 24 - Open vraag

Hier wil ik nog graag meer uitleg over/dit snap ik nog niet helemaal
Voor de volgende les
Hier wil ik nog graag meer uitleg over of dit snap ik nog niet helemaal:

Slide 25 - Open vraag