Gastles eco basisschool

1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen
  • Kort voorstellen 
  • Wat is economie? 
  • Verschil economie en bedrijfseconomie
  • Oefening; omgaan met (zak)geld
  • Onderhandelen voor meer zakgeld; welke keuze maak jij?

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
Na deze les:
  • kun je uitleggen waar economie om draait
  • kun je benoemen wat het verschil is tussen economie en bedrijfseconomie
  • Bij economie moet je vaak omrekenen van maand naar jaar, of van jaar naar week, etc. Hoe je dat precies doet, leer je in deze les.
  • krijg je inzicht hoe omgaan met geld werkt

Slide 3 - Tekstslide

Pak nu je telefoon
  • Code is voor Apple gebruikers
Of:
  • Ga naar de app-store 
  • download de app : lessonup.app

Slide 4 - Tekstslide

timer
2:00
Economie

Slide 5 - Woordweb

0

Slide 6 - Video

Slide 7 - Tekstslide

Economie
  • macro-economie van een heel land of van een groep landen die met elkaar samenwerken.  
  • micro-economie, waarbij we kijken naar vraag en aanbod en hoe gezinnen en bedrijven economische keuzes maken.
Bedrijfseconomie
vooral micro-economie en meer praktisch dan theoretisch

  • Hoe start ik een bedrijf?
  • Omzet, winst en verlies berekenen
  • Adminstratie voeren 
  • Hoe kom ik aan klanten

Slide 8 - Tekstslide

Wat neem je elke les mee?
  • Leerboek 
  • Schrift 
  • Rekenmachine
  • I-pad of laptop
  • Pen 
  • Taken/huiswerk; staan in Som (cijfer en agenda programma)
  • Materiaal delen we via Teams (ook voor digitale lessen)


Slide 9 - Tekstslide

Zakgeld

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video



Ik heb een bijbaan 

A
ja
B
nee

Slide 12 - Quizvraag

Geld 
Krijg je je loon contant (chartaal) of je rekening (giraal)
Wat is zwart werk?
Ga je anders met je geld om sinds je werkt?

Slide 13 - Tekstslide


Hoeveel geld heb jij per maand
te besteden?
anoniem antwoord

Slide 14 - Open vraag


Tip: je kan ook antwoorden met een plaatje!
Waar geef jij het meeste 
geld aan uit?

Slide 15 - Open vraag


Geef jij weleens teveel geld uit?
A
nee, nooit
B
heel soms
C
best wel vaak

Slide 16 - Quizvraag



Alles wat ik koop 
heb ik echt nodig!
A
ja
B
nee

Slide 17 - Quizvraag


Spaar je ook?
A
Nee, ik geef iedere maand (bijna) alles uit.
B
Ik spaar een deel, de rest geef ik uit.
C
Ik spaar bijna alles. Ik koop eigenlijk heel weinig.

Slide 18 - Quizvraag


Wat geldt voor jou?
A
Ik koop alles zo goedkoop mogelijk.
B
Ik betaal liever iets meer voor betere kwaliteit of een bekend merk.

Slide 19 - Quizvraag

Ik zou 
minder geld kunnen uitgeven aan...

Slide 20 - Woordweb

Hoe kun je voorkomen dat je maand overhoudt aan het einde van je geld?

Slide 21 - Tekstslide

Als je bedragen moet omrekenen, reken je altijd eerst om naar een jaar.

Slide 22 - Tekstslide

voorbeeld 1

Je krijgt € 6,- zakgeld per week. Hoeveel is dit per maand?

Stappen:
  1. Eerst reken je het weekbedrag om naar een jaarbedrag:                                        € 6 x 52 = € 312.
  2. Dan reken je het jaarbedrag om naar het maandbedrag:                                        € 312 : 12 = € 26.

Slide 23 - Tekstslide

voorbeeld 2

Je krijgt € 30,- zakgeld per maand. Hoeveel is dit per week?

Stappen:
  1. Eerst reken je het maandbedrag om naar een jaarbedrag:                                        € 30 x 12 = € 360.
  2. Dan reken je het jaarbedrag om naar het weekbedrag:                                           € 360 : 52 = € 6,92.

Slide 24 - Tekstslide

voorbeeld 3

Peter moet € 55,- wegenbelasting per kwartaal betalen. Hoeveel is dit per maand?

Stappen:
  1. In een kwartaal zitten 3 maanden.
  2. € 55 : 3 = € 18,33 per maand.


Slide 25 - Tekstslide

Bram krijgt €10 zakgeld per week. Hoeveel is dat per maand?
A
€10
B
€43,33
C
€40
D
€1,42

Slide 26 - Quizvraag

De contributie voor de voetbalclub kost € 95 per jaar. Hoeveel is dat per week?
A
€ 1,79
B
€ 1,83
C
€ 7,30
D
€ 7,92

Slide 27 - Quizvraag

Fam. de Boer ontvangt € 197,51 kindertoeslag per kwartaal. Hoeveel is dit per jaar?
A
€ 592,53
B
€ 790,04

Slide 28 - Quizvraag


Wat heb je van 
deze les geleerd?
LAATSTE VRAAG

Slide 29 - Open vraag

Welke keuzes maak jij?
  • Schrijf jouw keuzes op en vermeld hierbij een korte toelichting (8 min.) 
  • Lees de keuzes van je buur en laat een opvallende uitleggen (2 x  2 min.)
  1. Na het VWO studeren of meteen gaan werken? 
  2. In loondienst werken of een eigen bedrijf starten?
  3. Een huis kopen of een huis huren?
  4. Belasting betalen of belasting ontwijken?
  5. Sparen of beleggen?
  6. Zelf schoonmaken of een schoonmaker inhuren?
timer
8:00
timer
2:00
timer
2:00

Slide 30 - Tekstslide


Overzicht inkomsten en uitgaven
OPDRACHT
Maak een overzicht van al je inkomsten 
per maand (bijv. zakgeld, klusjes etc.).
Hoeveel geef je iedere maand uit per categorie (eten/drinken, sport, telefoon, andere abonnementen, kleding, uitgaan).
Hoeveel houd je over of kom je tekort per maand?

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide


Wat ging goed / niet goed 
bij het maken van het overzicht 
van inkomsten en uitgaven?

Slide 33 - Open vraag


Inflatie? Zak- en kleedgeld omhoog! 
Onderhandelen
Met inflatie bedoelen we dat de prijzen van producten stijgen. Hierdoor kun je steeds minder kopen voor je euro's. 
Inflatie wordt vaak uitgedrukt in een percentage. "De inflatie is 5%" wil zeggen dat de prijzen met gemiddeld 5% zijn gestegen.
Om toch net zoveel te kunnen kopen heb je 5% meer zak- en kleedgeld nodig.

Slide 34 - Tekstslide


Wat heb je van 
deze les geleerd?
LAATSTE VRAAG

Slide 35 - Open vraag

Bedankt en succes bij jullie schoolkeuze !

Slide 36 - Tekstslide