cross

Minor A1 Unidad 9.2

Minor A1
Unidad 9
Caminando
1 / 51
volgende
Slide 1: Tekstslide
spaansStudiejaar 1

In deze les zitten 51 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 100 min

Onderdelen in deze les

Minor A1
Unidad 9
Caminando

Slide 1 - Tekstslide

Caminando
  • kleuren
  • trappen van vergelijking
  • wederkerende werkwoorden
  • werkwoorden met -zc (1e pers.)
  • "a" bij personen als lijdend vw.
  • aanwijzende voornaamwoorden
  • adviezen geven
  • het weer
  • Gerundio

Slide 2 - Tekstslide

Examen
-4-11-2020 11.00-12.40 Witte Dame (3.36,3.44,3.46 + 3.32+3.34)
Kijk in Xedule voor de juiste lokaal.

-Huisregels van tentamens:
https://connect.fontys.nl/instituten/Flosminor/minortc/_layouts/15/WopiFrame.aspx?sourcedoc=/instituten/Flosminor/minortc/PubMinSpa/Inleiding_huisregels%20minor%20Spaans.docx&action=default&DefaultItemOpen=1

Slide 3 - Tekstslide

Tarea 2 y preguntas
- A las 12:45-13:00 grupos para revisar schrijfopdracht (optional)
- Algunos errores que se han cometido varias veces
- Mañana a las 12:45 - tiempo para preguntas individuales

Slide 4 - Tekstslide

Unidad 9 

Pag 80
Ejercicio 5 - Conocer / concer a
Todos el grupo

Slide 5 - Tekstslide

Conocer lugares
Conocer a personas

Visitar lugares
Visitar a personas
Conocer lugares
Conocer a personas

visitar lugares
visitar a personas

encontrar cosas
encontrar a personas

disfrutar de cosas
conozco
conoces
conoce
conocemos
conocéis
conocen

Slide 6 - Tekstslide

Adviezen geven
Je kunt in het Spaans adviezen geven met onderstaande constructies. Je gebruikt ze in combinatie met het hele werkwoord. 
  1. Se recomienda + hele werkwoord = Men beveelt aan om...
  2. Es mejor + hele werkwoord = Het is beter om ...
  3. Conviene + hele werkwoord = Het is raadzaam om ...
  4. (No) es necesario + hele werkwoord = Het is (niet) nodig om..

Slide 7 - Tekstslide

Dar consejos ...

  • Se recomienda ...

  • Es mejor ...
  • (No) Conviene ...

  • (No) Es necesario ...
+ infinitivo

pasar unos días en Cusco.
llevar zapatos cómodos.
viajar en junio, julio o agosto.
hacer la ruta en cuatro días.
llevar niños a esta excursión.
llevar alimentos.  

Slide 8 - Tekstslide

Tekstboek p.81 nr.8
Lees de tekst en beantwoord de vragen. (2 min)
1. ¿En cuánto tiempo conviene hacer el camino?
2. ¿Se puede ir solo?
3. ¿Qué se puede hacer parar evitar el mal de las alturas?
4. ¿Qué tiempo hace en abril?
5. ¿Cuándo llueve mucho?
6. ¿Por qué se necesita un anorak?



Slide 9 - Tekstslide

Ejercicio pag 81
9a. Consejos. Rellena la tabla en tu libro (individual)

9b. Después se trabaja en grupos:
(10 min)

1.Consejos para ir a Waddeneilanden
2.Dar consejos slide 9 (samen lezen)

Slide 10 - Tekstslide

Dar consejos
- No leo nunca. 
--> Conviene leer libros interesantes.

- No sé cocinar
--->

- Me da pavor volar en avión
--->

Slide 11 - Tekstslide

pag 82 Ejercicio 10
Todo el grupo:
10a


10 b 
Escuche a una persona de las fotos
Padre e hijo
Hijo está en Machupichu 
Hijo hace una foto 
1. Estoy haciendo una pausa
2. Roberto está hablando por teléfono
3. Estamos caminando
4. Ernesto está tomando fotos

Slide 12 - Tekstslide

Gerundio (aan het doen zijn)
De Gerundio gebruik je om te vertellen wat je op dit moment aan het doen bent of wat er aan de gang is. Je gerbruikt daarvoor het werkwoord estar + gerundio

 + gerundio vorm. 
ESTAR
estoy estás está estamos estáis están

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Verbos con cambio vocálico
(zie paragraaf 7.2 pag 125)
 

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Hoe maak je de Gerundio?
1. Ik ben aan het luisteren.
2. Ben jij aan het werken?                  
3. Hij is aan het voetballen.
1. Wij zijn aan het eten.
2. Wat zijn jullie aan het doen?
3. Zij zijn aan het praten. 
Estoy escuchando.
Está jugando al fútbol.
Están hablando.
¿Estás trabajando?
Estamos comiendo.
¿Qué estáis haciendo?

Slide 22 - Tekstslide

Pag 82 Ejercicio 12
Escoge 2 personajes y haz 2 oraciones
todos juntos

Slide 23 - Tekstslide

¿Qué tiempo hace?

Voor het weer gebruik je de werkwoorden:
  • hacer
  • hay
  • estar 
  • llover (ue) / lloviznar 
  • nevar (ie)

Slide 24 - Tekstslide

Bekijk La canción del tiempo tot 1.24 m. en  maak onderstaande zinnen af.

Hace ________________.
Hace ________________.
Hace ________________.
Hace ________________.
Hace ________________.
Está ________________.
No está ________________.
Está lloviendo.
Está nevando. 

.


De zon schijnt.
Het is warm.
Het is koud.
Het is fris.
Het waait.
Het is onbewolkt.
Het is niet bewolkt.
Het is aan het regenen.
Het is aan het ________________.

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Video

Vamos a practicar

Slide 27 - Tekstslide

¿Cuál es el gerundio de "dormir"?
A
dormiendo
B
dirmiendo
C
durmiendo
D
durmando

Slide 28 - Quizvraag

¿Qué frase es correcta?
Hay más posiblidades.
A
Está leiendo un libro
B
Ha leyendo un libro
C
Ha leído un libro.
D
Está leyendo un libro

Slide 29 - Quizvraag

¿Cómo se dice..?
"Wat ben je nu aan het doen?"

Slide 30 - Open vraag

¿Qué estáis haciendo ahora?

Slide 31 - Open vraag

Wederkerende werkwoorden in de Gerundio 
(p. 125)
Bij de Gerundio kunnen de voornaamwoorden zowel vóór estar staan. 
  • Me estoy duchando.
Maar ze mogen ook direct achter de Gerundio staan. Om de klemtoon te handhaven krijgt de Gerundio dan wel een accent.
  • Estoy duchándome.

Slide 32 - Tekstslide

Werkboek oef. 22 p.87
Beantwoord de vragen en let daarbij op de plaats van het persoonlijk voornaamwoord bij de Perfect en de Gerundio.
1. María, ¿has hecho ya las maletas?
    - Sí, ya las he hecho.
    - En este momento las estoy haciendo. (Vóór estar)  
    - En este momento estoy  haciéndolas. (Achter gerundio)
                    

Slide 33 - Tekstslide

Werkboek oef. 22 p.87
Maak vraag 2 en 3 van deze oefening

2. ¿Se han duchado ya los niños?         
    
3. Pedro, ¿has hecho ya el desayuno?








timer
1:00
- Sí, ya se han duchado.
- En este momento se están duchando.
- En este momento están duchándose.
- Sí, ya lo he hecho.
- En este momento lo estoy haciendo.
- En este momento estoy haciéndolo.

Slide 34 - Tekstslide

Even alles op een rij.
Tot nu toe heb je verschillende constructies geleerd:
  • Wat je gaat doen.
  • Wat je moet doen. 
  • Wat je hebt gedaan.
  • Wat je aan het doen bent. 
ir + a + infinitief
tener + que + infinitief
estar + -ando/-iendo
haber + stam + -ado/-ido

Slide 35 - Tekstslide

Dat ziet er dan zo uit:

  • Mañana voy a estudiar.
  • Esta tarde tengo que estudiar. 
  • Ya he estudiado.
  • En este momento estoy estudiando.


  • Morgen ga ik studeren.
  • Vanmiddag moet ik studeren.
  • Ik heb al gestudeerd.
  • Op dit moment ben ik aan het studeren. 

Slide 36 - Tekstslide

Dat ziet er dan zo uit:

  • Ahora me voy a duchar.
  • Ahora me tengo que duchar. 
  • Ya me he duchado.
  • En este momento me estoy duchando.


  • Ik ga me nu douchen.
  • Ik moet me nu douchen. 

  • Ik heb me al gedoucht.
  • Op dit moment ben ik me aan het douchen. 

Slide 37 - Tekstslide

Of zo:
Bij de infinitief of Gerundio

  • Ahora voy a ducharme.
  • Ahora tengo que ducharme. 
  • En este momento estoy duchándome.

Maar:
  • Ya me he duchado.



  • Ik ga me nu douchen.
  • Ik moet me nu douchen. 

  • Op dit moment ben ik me aan het douchen.

Maar:
  • Ik heb me al gedoucht.

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Tekstslide

Slide 43 - Tekstslide

A practicar en grupos
TB:
Ejercicio 13b. escucha 
Ejercicio 14 a.

WB: Ejercicio 6, 20 y 26
El resto de unidad 9
Optionel opdracht van slide 45

El tiempo

Slide 44 - Tekstslide

Deberes
  1. Maken oefeningen WB. U9
  2. Maken R&S U.9

Hay más ejercicios para practicar más en casa 
(slide 47-51)

Slide 45 - Tekstslide

Para practicar más ...
  • Bekijk het volgende filmpje een paar keer.
  • Zoek de betekenis van onderstaande woorden op.
  • Bekijk daarna het filmpje en maak de opdrachten.

amanecer - atardecer - sierra - nuboso - el cielo - etc.
.

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Video

2

Slide 48 - Video

00:23
¿Qué significa?
temperaturas algo más bajas
A
iets lagere temperaturen
B
iets hogere temperaturen

Slide 49 - Quizvraag

00:23
¿Como se dice?
"iets hogere temperaturen"

Slide 50 - Open vraag

Slide 51 - Tekstslide