Les 3 maart

Vandaag
Opwarmer
Lichaam - woordenschat -herhalen
Nieuw thema: Sport
Bespreken huiswerk boek
Woordenlijst


1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsEnseignement Secondaire

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vandaag
Opwarmer
Lichaam - woordenschat -herhalen
Nieuw thema: Sport
Bespreken huiswerk boek
Woordenlijst


Slide 1 - Tekstslide

Opwarmer
https://jeugdjournaal.nl/artikel/2599249-actie-om-nederland-niet-naar-het-wk-voetbal-in-amerika-te-laten-gaan


Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Waarmee zie je?



A
Ogen
B
Oren
C
Mond
D
Neus

Slide 4 - Quizvraag


Waarmee eet je?


A
Ogen
B
Oren
C
Mond
D
Neus

Slide 5 - Quizvraag

Waarmee ruik je?
A
Ogen
B
Oren
C
Mond
D
Neus

Slide 6 - Quizvraag

Waarmee hoor je?
A
Ogen
B
Oren
C
Mond
D
Neus

Slide 7 - Quizvraag

Waarmee loop je?
A
Armen
B
Benen
C
Haren
D
Vingers

Slide 8 - Quizvraag

Waarmee til je?
A
Armen
B
Benen
C
Haren
D
Vingers

Slide 9 - Quizvraag

Welke kam je?
A
Armen
B
Benen
C
Haren
D
Vingers

Slide 10 - Quizvraag

Van welke heb je er 10?
A
Armen
B
Benen
C
Haren
D
Vingers

Slide 11 - Quizvraag

Van welke heb je er 10?

Slide 12 - Open vraag

Waarmee zie je?

Slide 13 - Open vraag

Waarmee til je?

Slide 14 - Open vraag

Waarmee loop je?

Slide 15 - Open vraag

Waarmee hoor je?

Slide 16 - Open vraag

Nieuw Thema
Sport


Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Nieuwe woorden
de sport
voetballen
zwemmen
tennissen
basketballen
hardlopen
trainen
winnen
verliezen
het team
de wedstrijd


Slide 21 - Tekstslide

grammatica
Ik ___ voetbal. Ik speel voetbal.

Ik ___ aan basketbal. Ik doe aan basketbal.

Ik ___ zwemmen. Ik ga zwemmen.

Hij speelt voetbal
Hij doet aan basketbal
Hij gaat zwemmen

Slide 22 - Tekstslide

Voetbal woordenschat
het voetbalveld
het doel
de bal
de speler
de keeper
de scheidsrechter
scoren
passen
schieten
winnen / verliezen
de training
de wedstrijd

Slide 23 - Tekstslide

Voetbal woordenschat
Wat zie je op de foto?

Wat doet de speler?

Wat doet de keeper?

Wat doet de scheidsrechter?

Slide 24 - Tekstslide

Voetbal woordenschat
Wat zie je op de foto?

Wat doet de speler?

Wat doet de keeper?

Wat doet de scheidsrechter?

Slide 25 - Tekstslide

Vragen (begrijpend luisteren)

Hoe oud is Sara?
Hoe vaak traint zij? En op welke dagen?
Wanneer speelt zij een wedstrijd?
Welke positie heeft zij?
Heeft haar team gewonnen of verloren?
Waarom vindt zij voetbal leuk?

Waar of niet waar?
Sara is keeper. 

Ze traint één keer per week. 

Slide 26 - Tekstslide

Boek
9, 10 en 11 bespreken

Mijn moeder belt me twee keer per dag.
times = keer
Mijn familie drinkt altijd water.
Always = altijd
Ik val soms van mijn bed.
Mijn zus hoest wanneer / als zij ziek is.
Mijn broer zweet altijd.

Slide 27 - Tekstslide

Opdracht 10
2. Omdat hij hoest.
3. Omdat hij zich ziek voelt. / omdat hij ziek is.

Slide 28 - Tekstslide

Les 3 maart

Slide 29 - Tekstslide