Basisvaardigheden
Bouwen aan je basis

Stam +t - Basisvaardigheden

Basisvaardigheden door

1 / 15
next
Slide 1: Slide
New lesson editorTaalNederlandsBasisschoolMiddelbare schoolPraktijkonderwijsSpeciaal OnderwijsMBOISK

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min
Report this lesson

Items in this lesson

Basisvaardigheden door

1

Biologie

2

Taal

3

Rekenen

4

Aardrijkskunde

Stam +t heeft te maken met ...

Je hebt de verdeling in de poll gezien.

Stam +t heeft te maken met

A

Biologie

B

Taal

C

Rekenen

D

Aardrijkskunde

De stam van een werkwoord heb je nodig met het goed te kunnen spellen. Je vindt de stam door -en van het af te halen.

Stam = hele werkwoord -en

-en

Dus...

Werken


Werken


Fietsen


Fietsen


Verhuizen


Verhuizen


Wat is de stam van deze werkwoorden?


Draaien Draai

Koken Kok

Draven Drav

Mislukken Mislukk

Praten Prat

Draai
Kok
Drav
Mislukk
Prat
Draait
Kokk
Draaf
Mislukt
Prate

Stam + t is de vaste spelregel voor werkwoorden in de tegenwoordige tijd (alles wat in het nu gebeurt).
Je neemt de stam en plakt er een -t achter.

Stam +t = Werkwoordvorm

Je gebruikt dit zodra het onderwerp een ander is (jij, hij, zij, het, de klant, je manager) én de zin in de tegenwoordige tijd staat.

  1. STAP 1: Hele werkwoord is branden

  2. STAP 2: Vind de stam door -en weg te halen.
    De stam is brand

  3. STAP 3: Het gebeurt nu, in de tegenwoordige tijd.

  4. STAP 4: Wie of wat is het onderwerp?

De kok

  1. STAP 5: Werkwoordvorm is stam +t = brand +t
    Vandaag brandt de kok zich aan de hete pan.

  1. STAP 1: Hele werkwoord is slapen

  2. STAP 2: Vind de stam door -en weg te halen.
    De stam is slap

  3. STAP 3: Let op! Je hoort in het werkwoord een aa*, Daarom wordt de stam slaap.

  4. STAP 4: Het gebeurt nu, in de tegenwoordige tijd.

  5. STAP 5: Wie of wat is het onderwerp?

zij

  1. STAP 6: De werkwoordvorm is stam +t = slaap +t
    Zij slaapt wel heel lang uit.

  1. STAP 6: Vandaag brandt de kok zich aan de hete pan.

*
  1. STAP 1: Hele werkwoord is bellen

  2. STAP 2: Vind de stam door -en weg te halen.
    De stam is bell

  3. STAP 3: Let op! De stam eindigt op twee ll-en*. Je
    mag een l weglaten, de stam wordt dus bel

  4. STAP 4: Het gebeurt nu, in de tegenwoordige tijd.

  5. STAP 5: Wie of wat is het onderwerp?

Jij

  1. STAP 6: De werkwoordvorm is stam +t = bel +t
    Jij belt nu met je oma.

  1. STAP 6: Vandaag brandt de kok zich aan de hete pan.

*

Doe maar mee...

rijden

  1. -en is

  2. Het onderwerp is hij

  3. Stam +t is

rijd

vallen

  1. -en is

  2. Een l mag weg

  3. Het onderwerp is het glas

  4. Stam +t is

rijdt

vall

val

valt

Kopen

  1. -en is

  2. Je hoort oo

  3. Het onderwerp is jij

  4. Stam +t is

kop

koop

koopt

  1. Hij rijdt met Bas mee.

  1. Het glas valt kapot.

  1. Jij koopt een broek.

Bij sommige werkwoorden hoor je de t niet. Vaak zijn dat werkwoorden waarvan de stam eindigt op een d.

Denk aan branden, vinden of worden.

Het ezelsbruggetje

Vervang het werkwoord voor lopen. Dan hoor je de t heel duidelijk: Jij loopt, hij loopt, het loopt.

Wil je weten wat een ezelsbruggetje is?
Klik dan hier

Vul de juiste werkwoorden in:

Zij wast haar haren iedere dag. (wassen)

Jij wordt vandaag door mij opgehaald. (worden)

Hij voelt zich niet zo lekker. (voelen)

De buurvrouw vertelt graag over vroeger. (vertellen)

De hamster knaagt aan zijn kooi. (knagen)

wast
wordt
voelt
vertelt
knaagt
word
voeld
knagt
waast
vertel

Ik snap nu hoe en wanneer ik

stam +t moet gebruiken.

Voeg hier je vraag toe

Welke vraag heb jij nog over stam +t?

Basisvaardigheden door

Klik hier voor meer kant-en-klare

-lessen rondom

de basisvaardigheden