AARDE · PLATENTEKTONIEK
Examentraining
Platentektoniek en vulkanisme: zo pak je examenvragen aan
De Almannagjá-kloof in Nationaal Park Þingvellir, IJsland: hier wijken twee platen uiteen
Lesson by Examenstof
This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.
AARDE · PLATENTEKTONIEK
Examentraining
Platentektoniek en vulkanisme: zo pak je examenvragen aan
De Almannagjá-kloof in Nationaal Park Þingvellir, IJsland: hier wijken twee platen uiteen
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Olga Ernst / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
AARDE · PLATENTEKTONIEK
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over platentektoniek beantwoorden met een kaart, een dwarsdoorsnede en een vergelijking van gebieden.
This item has no instructions
AARDE · PLATENTEKTONIEK
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is het vraagwoord? Beschrijf, typeer, leg uit of vergelijk.
2. Zoek: welke platen, welke grens en welke richting? Kijk in de bron naar pijlen, diepte en gesteente.
3. Verbind: plaatgrens, proces en gevolg: subductie geeft stroperig magma en zware bevingen.
4. Schrijf: een ketting met doordat en daardoor, en noem gegevens uit de bron.
This item has no instructions
AARDE · PLATENTEKTONIEK
Vraagtype 1: kaart en dwarsdoorsnede
Je krijgt een kaart met een lijn A-B en een dwarsdoorsnede langs die lijn.
Zoek op de doorsnede: welke plaat duikt onder, waar ligt de trog, waar de vulkanen?
Haarden van aardbevingen worden dieper in de richting waarin de plaat onderduikt.
Zet op de kaart en op de doorsnede dezelfde punten naast elkaar voordat je schrijft.
Dwarsdoorsnede van de hotspot onder Hawaï: de eilanden worden naar het noordwesten ouder (USGS, Engelstalig)
Syllabuswerkwijze: relateren van kaarten aan (geologische) dwarsdoorsnedes. De afbeelding is een doorsnede van de Hawaï-hotspot: vraag in welke richting de plaat beweegt (naar het noordwesten, NW staat links) en waar de jongste vulkaan ligt. Veelgemaakte fout: noord en zuid op de doorsnede niet koppelen aan de kaart. Image credit: Joel E. Robinson (USGS) / Wikimedia Commons, publiek domein
Haarden worden van west naar oost dieper, van 20 tot 600 km. Wat zie je?
Een plaat die naar het westen onderduikt
Twee platen die uit elkaar bewegen
Een plaat die naar het oosten onderduikt
Twee platen die langs elkaar schuiven
Goed: de haarden volgen de wegduikende plaat, dus die duikt naar het oosten weg; de trog ligt aan de westkant. Zo is het bij de westkust van Zuid-Amerika. Wie west kiest, verwart waar de plaat vandaan komt en waar hij heen gaat.
Hawaï: jongste vulkaan in het zuidoosten, oudste in het noordwesten. Verklaar.
Goed: de hotspot ligt vast in de mantel; de Pacifische plaat beweegt naar het noordwesten; nieuwe vulkanen ontstaan steeds boven de hotspot en schuiven met de plaat mee; daardoor liggen de oudere vulkanen in het noordwesten. Verwachte fout: zeggen dat de hotspot naar het zuidoosten beweegt.
AARDE · PLATENTEKTONIEK
Vraagtype 2: vulkanisme typeren
Je krijgt een foto, een beschrijving of gegevens over een vulkaan en moet hem typeren.
Koppel steeds drie dingen: plaatgrens of hotspot, viscositeit van het magma, eruptietype.
Stroperig en gasrijk: explosief, stratovulkaan. Dun vloeibaar: effusief, schildvulkaan.
Noem in je antwoord het kenmerk uit de bron dat je keuze bewijst.
Explosieve uitbarsting van de stratovulkaan Mount St. Helens (VS), 18 mei 1980
Typeren en indelen van vulkanisme is een syllabuswerkwijze. Laat leerlingen een tabel maken met twee kolommen: explosief en effusief. Veelgemaakte fout: alleen de vorm noemen zonder de oorzaak (viscositeit en gas). Image credit: Austin Post (USGS) / Wikimedia Commons, publiek domein
Een steile vulkaan in Indonesië spuwt vooral as. Welk magma en welke grens?
Stroperig magma bij een subductiezone
Dun vloeibaar magma bij een subductiezone
Stroperig magma bij een oceanische rug
Dun vloeibaar magma boven een hotspot
Goed: veel as en een steile vorm wijzen op een explosieve stratovulkaan; Indonesië ligt aan een subductiezone. Dun vloeibaar magma hoort bij ruggen en hotspots.
Leg uit waarom IJsland vooral effusieve erupties met lavastromen heeft.
Goed: IJsland ligt op een divergente plaatgrens (oceanische rug) en een hotspot; het magma is dun vloeibaar (lage viscositeit); gassen ontsnappen makkelijk; daardoor rustige lavastromen. Verwachte fout: alleen 'omdat het een rug is' zonder de stap naar de viscositeit. Een eruptie onder een gletsjer kan wel veel as geven, maar dat vraagt de syllabus niet.
AARDE · PLATENTEKTONIEK
Vraagtype 3: landschapsvormen verklaren
Je krijgt een kaart of profiel van een gebergte of een laagte en moet de vorm verklaren.
Compressie (samendrukken) geeft plooiingsgebergten. Rek (uit elkaar trekken) geeft horsten en slenken.
Kijk naar de richting van de plaatbeweging: naar elkaar toe of uit elkaar?
Een slenk vult zich vaak met afzettingen van rivieren: zo ontstaat een bekken.
Mount Everest, Lhotse en Nuptse in de Himalaya, gezien vanuit een vliegtuig, 2014
Syllabuswerkwijze: landschapsvormen relateren aan endogene processen. Voorbeelden: Himalaya en Alpen (compressie), Oost-Afrikaanse slenk, Bovenrijnslenk tussen Vogezen en Zwarte Woud, Roerdalslenk (rek). Veelgemaakte fout: 'breukgebergte' gebruiken, dat begrip staat niet meer in de syllabus. Image credit: Gerd Eichmann / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
In Oost-Afrika zakt een strook land tussen twee breuken omlaag. Wat is dit?
Een horst, ontstaan door rek
Een slenk, ontstaan door compressie
Een trog, ontstaan door subductie
Een slenk, ontstaan door rek
Goed: de korst wordt uit elkaar getrokken, het blok ertussen zakt: slenk. De randen die hoog blijven zijn horsten. Een trog ligt in de oceaan bij een subductiezone.
Leg uit waarom in de Himalaya fossielen van zeedieren op grote hoogte liggen.
Goed: de gesteentelagen zijn ooit op de bodem van een zee afgezet; de Indische plaat botste op de Euraziatische plaat; door compressie werden de lagen geplooid en opgestuwd tot een plooiingsgebergte. Het actualiteitsprincipe verklaart dat de fossielen uit zee komen. Verwachte fout: denken dat de zee vroeger zo hoog stond.
AARDE · PLATENTEKTONIEK
Vraagtype 4: gebieden vergelijken
Je vergelijkt twee gebieden in ruimte of tijd, zoals Japan en IJsland, of Chili en de Himalaya.
Vergelijk per gebied: soort plaatgrens, vulkanisme, aardbevingen en gebergte.
Noem een overeenkomst én een verschil, en verklaar het verschil met de plaatgrens.
Schrijf in twee delen: gebied A ..., terwijl gebied B ..., doordat ...
De grote platen van de aardkorst en hun grenzen (USGS, Engelstalig)
Syllabuswerkwijze: vergelijken van tektonische en vulkanische verschijnselen in gebieden in ruimte en tijd. Laat leerlingen de platenkaart gebruiken om eerst de plaatgrens te bepalen. Veelgemaakte fout: alleen twee losse beschrijvingen geven zonder echte vergelijking. Image credit: USGS / Wikimedia Commons, publiek domein
Japan en IJsland hebben beide vulkanen. Wat is het grootste verschil?
Japan ligt bij divergentie, IJsland bij subductie
Japan ligt bij subductie, IJsland bij divergentie
Japan ligt bij een transforme grens, IJsland niet
Japan ligt op een hotspot, IJsland op een trog
Goed: in Japan duikt oceanische korst onder, met stroperig magma, explosieve stratovulkanen en zware bevingen; IJsland ligt op de Midden-Atlantische Rug met dun vloeibaar magma. Verwachte fout: de grenzen omdraaien.
Chili en de Himalaya: beide convergent, alleen Chili heeft vulkanen. Verklaar.
Goed: bij Chili duikt oceanische korst onder continentale korst (subductie); op diepte ontstaat magma, dat vulkanen vormt. In de Himalaya botsen twee continentale platen; continentale korst is te licht om weg te duiken, dus geen subductie en nauwelijks vulkanisme, wel een plooiingsgebergte. Verwachte fout: zeggen dat de Himalaya een divergente grens is.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Kaart en dwarsdoorsnede
Vulkanisme typeren
Landschapsvormen verklaren
Gebieden vergelijken
This item has no instructions
AARDE · PLATENTEKTONIEK
Tips voor op het examen
Begin altijd met de plaatgrens: uit elkaar, naar elkaar toe of langs elkaar.
Noem bij vulkanen de viscositeit van het magma: die verklaart het eruptietype en de vorm.
Gebruik de nieuwe begrippen: slab pull, ridge push, horst en momentmagnitudeschaal.
Bij een dwarsdoorsnede: koppel de windrichtingen aan de kaart voordat je antwoordt.
Leg bij verklaren de hele ketting uit: plaatbeweging, proces en gevolg.
This item has no instructions