Gids Nederlands
informatie voor lessen Nederlands

K3 H1 Grammatica en spelling (II): Spelling van de pv in tt en vt

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS
1 / 56
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3,4

This lesson contains 56 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 1 - Slide

DOEL

SPELLING VAN DE PERSOONSVORM

IN TT EN VT

- je kent de stam van een werkwoord

- je weet wat zwakke en sterke ww zijn

- je kunt de pv in de tt en vt goed spellen

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

De STAM van een werkwoord

De stam van een werkwoord vind je door van het hele werkwoord -en af te halen; wat je overhoudt, is de stam.




Bijvoorbeeld:

worden - en = word

leiden - en = leid

houden -en = houd


Slide 6 - Slide

De STAM van een werkwoord

Soms ziet de stam van het werkwoord er gek uit





geloven - en = gelov

reizen - en = reiz

lopen - en = lop



Slide 7 - Slide

De STAM van een werkwoord

Als je het woord moet schrijven, pas je de stam aan

naar de ik-vorm





geloven - en = gelov - de ik-vorm = geloof

reizen - en = reiz - de ik-vorm = reis

lopen - en = lop - de ik-vorm = loop


Slide 8 - Slide

1. Spelling

van de persoonsvorm


in de

tegenwoordige tijd

Slide 9 - Slide

De persoonsvorm spellen in de

tegenwoordige tijd


Als de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd staat,

zijn er maar drie mogelijkheden

Slide 10 - Slide

1. STAM

Enkelvoud ik-vorm of jij erachter:

schrijf alleen de stam


ik loop

ik fiets

ik praat

ik vind

loop jij

fiets jij

praat jij

vind jij

Slide 11 - Slide

2. STAM + T

Enkelvoud andere vormen:

schrijf de stam + t


jij loopt

hij fietst

zij praat

Fred vindt

Slide 12 - Slide

3. HELE WERKWOORD

Meervoud:

schrijf het hele werkwoord


wij lopen

zij fietsen

jullie praten

Fred en Laurien vinden

Slide 13 - Slide

Leuk filmpje!

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Video

Welke spellingregel pas je toe in de tt bij:
de ik-vorm
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 16 - Quiz

Welke spellingregel pas je toe in de tt bij:
de het-vorm
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 17 - Quiz

Welke spellingregel pas je toe in de tt bij:
jij achter het werkwoord
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 18 - Quiz

Welke spellingregel pas je toe in de tt bij:
jullie
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 19 - Quiz

2. Spelling

van de persoonsvorm


in de

verleden tijd

Slide 20 - Slide

PERSOONSVORM

in de

VERLEDEN TIJD



ZWAKKE WERKWOORDEN

Slide 21 - Slide

ZWAKKE en STERKE

werkwoorden


Wat is het verschil?

Slide 22 - Slide

STERKE

werkwoorden


hebben de KRACHT om in de verleden tijd van klank te veranderen

Slide 23 - Slide

REGELS verleden tijd

bij sterke werkwoorden


In het enkelvoud: schrijf op zoals het klinkt


In het meervoud: schrijf op zoals het klinkt

Slide 24 - Slide

VOORBEELD

STERKE WERKWOORDEN


kopen : ik koop - ik kocht

lopen : ik loop - ik liep

geven : wij geven - wij gaven

kruipen : zij kruipen - zij kropen

Slide 25 - Slide

ZWAKKE

werkwoorden


de klank blijft in de verleden tijd hetzelfde

Slide 26 - Slide

REGELS verleden tijd

bij zwakke werkwoorden


In het enkelvoud: stam + te / stam + de


In het meervoud: stam + ten / stam + den

Slide 27 - Slide

REGELS verleden tijd

bij zwakke werkwoorden


- Vaak hoor je of je stam + te(n) of stam + de(n)

moet gebruiken

- Gebruik een ezelsbruggetje als je

het niet (zeker) weet

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Video

Is
GEVEN
een zwak werkwoord?
A
ja
B
nee

Slide 30 - Quiz

Is
KOPEN
een zwak werkwoord?
A
ja
B
nee

Slide 31 - Quiz

Is
RENNEN
een zwak werkwoord?
A
ja
B
nee

Slide 32 - Quiz

Is
SNOEPEN
een zwak werkwoord?
A
ja
B
nee

Slide 33 - Quiz

Is het onderstreepte woord een pv?
De agent bekeurde de man voor te hard rijden.
___________
A
ja
B
nee

Slide 34 - Quiz

Wat is van toepassing?
De agent bekeurde de man voor te hard rijden.
___________
A
tt
B
vt (zwak ww)
C
vt (sterk ww)

Slide 35 - Quiz

Is het onderstreepte woord een pv?
Vanmorgen hebben Karen en Bas in het bos gelopen.
__________
A
ja
B
nee

Slide 36 - Quiz

Is het onderstreepte woord een pv?
Vanmorgen hebben Karen en Bas in het bos gelopen.
__________
A
ja
B
nee

Slide 37 - Quiz

Wat is van toepassing?
Vanmorgen hebben Karen en Bas in het bos gelopen.
__________
A
tt
B
vt (zwak ww)
C
vt (sterk ww)

Slide 38 - Quiz

Is het onderstreepte woord een pv?
Marieke had verse peterselie voor in de groentesoep geplukt.
__________
A
ja
B
nee

Slide 39 - Quiz

Is het onderstreepte woord een pv?
Marieke had verse peterselie voor in de groentesoep geplukt.
_____
A
ja
B
nee

Slide 40 - Quiz

Wat is van toepassing?
Marieke had verse peterselie voor in de groentesoep geplukt.
_____
A
tt
B
vt (zwak ww)
C
vt (sterk ww)

Slide 41 - Quiz

De snoepfabriek ___ een typische geur.

VT
A
verspreid
B
verspreidt
C
verspreide
D
verspreidde

Slide 42 - Quiz

De derdejaars leerlingen ___ zonder haast naar de bushalte.
VT
A
wandelde
B
wandeldde
C
wandelden
D
wandeldden

Slide 43 - Quiz

Karel lette niet goed op en ___ uit de trein te stappen.
VT
A
vergeet
B
vergat
C
vergeten
D
vergaten

Slide 44 - Quiz

Deze week ___ onze keuken gerenoveerd.
TT
A
word
B
werd
C
wordt
D
werdt

Slide 45 - Quiz

Gisteren ___ onze keuken gerenoveerd.

VT
A
word
B
werd
C
wordt
D
werdt

Slide 46 - Quiz

Vul de juiste vorm in:
Vroeger (kibbelen) Esmee en haar broer over van alles en nog wat.

Slide 47 - Open question

Vul de juiste vorm in:
Nu (vergeten) Marlou het alweer!

Slide 48 - Open question

Vul de juiste vorm in:
Gisteren (stuiten) de politie in Etten-Leur op een drugslab.

Slide 49 - Open question

Vul de juiste vorm in:
(Houden) jij meer van chocolade of van drop? - TT

Slide 50 - Open question

Vul de juiste vorm in:
De toeristen (lopen) al fotograferend door het museum. - VT

Slide 51 - Open question

Vul de juiste vorm in:
De emmers zaten zo vol dat het water over de rand (klotsen).

Slide 52 - Open question

GELEERD

SPELLING VAN DE PERSOONSVORM

IN TT EN VT

- je kent de stam van een werkwoord

- je weet wat zwakke en sterke ww zijn

- je kunt de pv in de tt en vt goed spellen

Slide 53 - Slide

Wat wist je al?

Slide 54 - Open question

Wat heb je geleerd?

Slide 55 - Open question

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 56 - Slide