Gids Nederlands
informatie voor lessen Nederlands

K3 Test deeltoets 3

DEELTOETS 3

lezen en woordenschat
1 / 61
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 3

This lesson contains 61 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

DEELTOETS 3

lezen en woordenschat

Slide 1 - Slide

LEZEN
Verbanden en signaalwoorden

Slide 2 - Slide

zoals
is een signaalwoord voor het tekstverband
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld

Slide 3 - Quiz

ook
is een signaalwoord voor het tekstverband
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld

Slide 4 - Quiz

daarentegen
is een signaalwoord voor het tekstverband
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld

Slide 5 - Quiz

denk aan
is een signaalwoord voor het tekstverband
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld

Slide 6 - Quiz

aan de ene kant...aan de andere kant
is een signaalwoord voor het tekstverband
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld

Slide 7 - Quiz

maar
is een signaalwoord voor het tekstverband
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld

Slide 8 - Quiz

om te beginnen
is een signaalwoord voor het tekstverband
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld

Slide 9 - Quiz

zo
is een signaalwoord voor het tekstverband
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld

Slide 10 - Quiz

verder
is een signaalwoord voor het tekstverband
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld

Slide 11 - Quiz

hoewel
is een signaalwoord voor het tekstverband
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld

Slide 12 - Quiz

toch
is een signaalwoord voor het tekstverband
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld

Slide 13 - Quiz

Lees (en beluister) de tekst

Slide 14 - Slide

Wat is het onderwerp van de tekst?
A
mbo-opleidingen in Nederland
B
onwenselijke situatie
C
stage mbo
D
stage voor illegale jongeren

Slide 15 - Quiz

Wat is volgens alinea 1 het tegenovergestelde van illegaal?

Slide 16 - Open question

Hoeveel problemen noemt alinea 2?

Slide 17 - Open question

Wat is het doel van de tekst?
A
instrueren
B
informeren
C
adviseren

Slide 18 - Quiz

Lees (en beluister) de tekst

Slide 19 - Slide

Wat wordt opgesomd bij nummer 4?

Slide 20 - Open question

Aan welke twee signaalwoorden herken je de opsomming bij nummer 4?

Slide 21 - Open question

Hoe kun je bij nummer 5 zien dat er iets opgesomd wordt?

Slide 22 - Open question

Welk signaalwoord voor tegenstelling staat bij nummer 6?

Slide 23 - Open question

Uit hoeveel delen bestaat de opsomming bij nummer 7?

Slide 24 - Open question

Waarvan worden voorbeelden gegeven bij nummer 8?

Slide 25 - Open question

Voor welk publiek is de tekst geschreven?
A
voor bedrijven die stagiaires zoeken
B
voor jongeren van het vmbo
C
voor ouders van jongeren

Slide 26 - Quiz

WOORDEN-

SCHAT

Officieel taalgebruik

Slide 27 - Slide

Lees (en beluister) de tekst

Slide 28 - Slide

Wat betekent
te vorderen?
________________
A
helemaal
B
last
C
maar voor een gedeelte
D
op te schieten

Slide 29 - Quiz

Wat betekent
hinder?
_________
A
helemaal
B
last
C
maar voor een gedeelte
D
voor altijd

Slide 30 - Quiz

Wat betekent
slechts deels?
__________________
A
helemaal
B
last
C
maar voor een gedeelte
D
voor altijd

Slide 31 - Quiz

Wat betekent
permanent?
_________________
A
helemaal
B
last
C
maar voor een gedeelte
D
voor altijd

Slide 32 - Quiz

Wat betekent
volledig?
____________
A
helemaal
B
last
C
maar voor een gedeelte
D
voor altijd

Slide 33 - Quiz

Lees (en beluister) de tekst

Slide 34 - Slide

Noteer twee voorbeelden van uitvoeringen.

Slide 35 - Open question

Wat betekent
ontheffing?
_______________
A
wat met geld te maken heeft
B
als
C
eis
D
vrijstelling

Slide 36 - Quiz

Wat betekent
voorwaarde?
_________________
A
wat met geld te maken heeft
B
als
C
eis
D
langste

Slide 37 - Quiz

Wat betekent
financieel?
_______________
A
wat met geld te maken heeft
B
als
C
moet
D
langste

Slide 38 - Quiz

Wat betekent
indien?
__________
A
ook
B
als
C
moet
D
langste

Slide 39 - Quiz

Wat betekent
dient?
________
A
ook
B
mag
C
moet
D
langste

Slide 40 - Quiz

Wat betekent
eveneens?
_____________
A
ook
B
bijvoorbeeld
C
verschillende
D
langste

Slide 41 - Quiz

Wat betekent
maximale?
______________
A
ook
B
bijvoorbeeld
C
verschillende
D
langste

Slide 42 - Quiz

Wanneer hoeft er géén vrijstelling bij de Inspectie SZW aangevraagd worden voor de 12-jarige Leanne?
_____
A
als ze meezingt in het koor van de kerk
B
als ze betaald krijgt voor een optreden met het majorettekorps
C
als ze meedoet aan een reclamespotje
D
als haar ouders geld krijgen voor een uitvoering van Leanne

Slide 43 - Quiz

Hoe lang mag Leanne werken?
A
Dat hangt af van haar leeftijd en de dagen waarop ze werkt.
B
Dat mag ze zelf bepalen, als het maar niet elke dag is.

Slide 44 - Quiz

Ik schat grofweg hoeveel meel ik in de cakemix moet toevoegen.
A
Ik meet de meel precies af
B
Ik schat hoeveel meel ik ongeveer toe moet voegen

Slide 45 - Quiz

Ik schat grofweg hoeveel meel ik in de cakemix moet toevoegen.
A
Ik meet de meel precies af
B
Ik schat hoeveel meel ik ongeveer toe moet voegen

Slide 46 - Quiz

De ondergetekende is
A
iemand die op zijn lijf getekend is
B
Iemand die zijn naam onder een brief of stuk zet

Slide 47 - Quiz

In eerste instantie
A
Op de eerste plaats
B
Als eerste bij een instantie binnen gaan

Slide 48 - Quiz

Noteer de betekenis van het woord dat tussen haakjes staat:
Ik heb geen (behoefte) aan hulp van jou.

Slide 49 - Open question

Noteer de betekenis van het woord dat tussen haakjes staat:
De (pyromaan) ging voor een half jaar de cel in.

Slide 50 - Open question

Noteer de betekenis van het woord dat tussen haakjes staat:
In de afgelopen zomer was het (extreem) warm in Oslo.

Slide 51 - Open question

Noteer de juiste vorm van het woord tussen haakjes:
(intelligent)
Dolfijnen blijken ... dieren te zijn.

Slide 52 - Open question

Noteer de juiste vorm van het woord tussen haakjes:
(opstrijken)
De directeur doet zelf niets, hij ... alleen de winst ... .

Slide 53 - Open question

Noteer de juiste vorm van het woord tussen haakjes:
(organisatie)
De schoolraad heeft een schoolfeest ... met als thema 'rood'.

Slide 54 - Open question

Welk woord hoort er niet bij?
circa - ongeveer - grofweg - exact

Slide 55 - Open question

Welk woord hoort er niet bij?
negatief - onvoldoende - slecht - uitmuntend

Slide 56 - Open question

Maak de zin eenvoudiger:
Ik ga akkoord met de afgesproken werktijden.

Slide 57 - Open question

Maak de zin eenvoudiger:
Neem jij zaterdag telefonisch contact op met de personeelschef?

Slide 58 - Open question

Hoe denk je dat je deze test hebt gemaakt? Is het voldoende? Leg uit.

Slide 59 - Open question

Wat heb jij nog nodig of moet je nog doen om de deeltoets goed te maken?

Slide 60 - Open question

EINDE

Slide 61 - Slide