Lezen verschillende werkvormen
Iedereen
15 minutes minimaal
Vooraf
Iedereen krijgt een klein papiertje 1/4 A4 en een zwarte pen.
Introductie (kort of lang)
- De begeleider gaat een gesprek aan met de deelnemers over de omslag en binnenwerk van het boek door het omslag te laten zien en te vragen wat ze zien? Wat valt op? Als een deelnemer antwoord geeft doorvragen waaraan hij ziet dat hij zegt .... (parafrasering van datgene dat de deelnemer heeft gezegd). Opvolgend aan dit korte gesprek kan de begeleider vragen aan de deelnemers om kort op een 1/4 A4 papier op te schrijven waar hij denkt dat het boek over gaat. Zodra dat klaar is kan de begeleider deze geschreven gedachten inzamelen om later weer te kunnen gebruiken.
Nu start het lezen
Verschillende uitwerkingsvormen van lezen zijn mogelijk:
1. De deelnemers krijgen allemaal een verschillend hoofdstuk te lezen.
Ze krijgen tijd om in de klas het te lezen. Daarna schrijven ze kort op wat ze het meeste aanspreekt van hun hoofdstuk.
Kies iets uit de woordspin over verlies wat past bij het hoofdstuk uit het boek dat je hebt gelezen. Schrijf het woord of de woorden boven aan je blaadje (1/4 A4). Vertel hoe wat je hebt gelezen en het woord bij elkaar passen voor jou.
2. De deelnemers worden opgedeeld in groepjes van 3 a 4. Ieder lid van het groepje krijgt een hoofdstuk te lezen. Elk hoofdstuk is dan gelezen door een deel van de klas. In het groepje bedenken ze hoe ze het hoofdstuk kunnen uitbeelden. De begeleider deelt instructies uit via een app bericht of op papier. De instructies zijn:
- Kijk welke personen in het hoofdstuk voorkomen.
- Welke scenes kunnen jullie denken om het hoofdstuk aan de anderen over te dragen? Denk aan: begin - midden - eind. Schrijf met steekwoorden op wat er aan bod komt in ieder deel.
- Kijk naar de woordspin wat daarin aan bod is gekomen en kies met je groepje een woord dat past bij jullie hoofdstuk.
- Ga vanuit de steekwoorden improviserend de scenes neerzetten: begin - midden - eind. Houd het gekozen woord in gedachten en kijk of je daar aandacht aan kan geven in de scene.
- ALs jullie ergens tegenaan lopen dan kan je altijd de begeleider raadplegen.
3. De deelnemers krijgen allemaal de opdracht om het boek thuis te lezen en kort te verwoorden hoe de woorden van de woordspin een plek hebben in het boek. Op school werken ze in groepjes maken een presentatie over welke rechten mensen/ kinderen hebben als ze deel worden van de Nederlandse samenleving. Ze kiezen minimaal een recht uit vervolgens geven ze aan welke scenes in het boek hierbij passen en waarom.
4. De deelnemers lezen allemaal het hele boek thuis. Daarna kijken ze of ze een scene kunnen vinden in het boek die in gaat op verhuizen en wat daarbij komt kijken in het boek. Op school werken ze in teams van 3 a 4 en zoeken informatie over wat het betekent om te verhuizen en zelfs in een ander land te gaan wonen. Waar krijg je dan mee te maken?
5. De begeleider kiest een hoofdstuk dat iedereen gaat lezen en dat aansluit bij het thema waar de begeleider aandacht aan wil geven. Deze focus kan ontstaan door de module waarmee gewerkt wordt of een van de thema's beschreven in het door het ministerie bepaalde onderwerpen overzicht. Het gekozen thema laat de begeleider door de deelnemers uitpluizen door tijd te geven voor onderzoek. De deelnemers werken in groepjes van 3 a 4 en maken op basis van de gegevens die ze hebben gevonden een presentatie op het Digibord in één dia wat voor hen belangrijk is.
6. De begeleider kiest ervoor het boek gedurende een aantal weken voor te lezen. Ieder voorlees moment wordt verbonden aan een werkopdracht in groepjes. Een extra opdracht kan zijn om de deelnemers de verschillende aspecten die in de woordspin staan telkens te verbinden aan het nieuwe hoofdstuk en daarbij dan de regels en afspraken in de maatschappij te zoeken.
Een van de hoofddoelen is dat door dit soort type opdrachten deelnemers leren samen te werken, uit te pluizen en de diversiteit aan inzichten te delen en verschillen te verdragen.