LessonUp Examentraining
Oefenexamens voor jouw leerlingen!

Oefenexamen HAVO - Populatie- en ecosysteemniveau (P)

Oefenexamen HAVO — Biologie

Populatie- en ecosysteemniveau (P) — 10 vragen — ca. 22 punten


1 / 11
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.

Report this lesson

Introduction

Deel dit oefenexamen met je leerlingen, zodat ze zich goed kunnen voorbereiden op hun examen. Delen van deze les gaat via de knop 'Delen'. Kies vervolgens voor 'Studenten (link)'. Hiermee hebben de leerlingen ook thuis de volledige interactie.

Items in this lesson

Oefenexamen HAVO — Biologie

Populatie- en ecosysteemniveau (P) — 10 vragen — ca. 22 punten


Vraag 1 (2p)

Bekijk de afbeelding van een bosecosysteem.
In een ecosysteem stroomt energie van producenten naar consumenten.
a) Leg uit wat het verschil is tussen een producent, een consument en een reducent. (1p)
b) Leg uit waarom er op elk hoger trofisch niveau minder energie beschikbaar is. (1p)

Vraag 2 (2p)

Bekijk de afbeelding van een bosecosysteem.
Kringlopen zijn essentieel voor ecosystemen.
a) Beschrijf de koolstofkringloop: welke rol spelen fotosynthese en dissimilatie? (1p)
b) Noem twee processen uit de stikstofkringloop. (1p)

Vraag 3 (2p)

In een ecosysteem spelen biotische en abiotische factoren een rol.
a) Noem twee biotische en twee abiotische factoren. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen een habitat en een niche. (1p)

Vraag 4 (2p)

Bekijk de afbeelding van een koraalrif.
Ecosystemen ontwikkelen zich door successie.
a) Leg uit het verschil tussen een pioniersoort en een climaxecosysteem. (1p)
b) Leg uit wat draagkracht inhoudt en wat een beperkende factor is. (1p)

Vraag 5 (2p)

Bekijk de afbeelding van een koraalrif.
Voedselrelaties vormen de basis van ecosystemen.
a) Noem drie typen relaties in een voedselweb. (1p)
b) Leg uit waarom accumulatie van schadelijke stoffen toeneemt op hogere trofische niveaus. (1p)

Vraag 6 (2p)

Duurzame ontwikkeling is belangrijk voor het behoud van ecosystemen.
a) Leg uit wat duurzame ontwikkeling inhoudt. (1p)
b) Leg uit hoe biologische landbouw bijdraagt aan duurzaamheid. (1p)

Vraag 7 (2p)

Genetische variatie is de basis voor evolutie.
a) Leg uit hoe mutatie en recombinatie bijdragen aan genetische variatie in een populatie. (1p)
b) Leg uit wat het verschil is tussen genetische variatie en fenotypische variatie. (1p)

Vraag 8 (2p)

Natuurlijke selectie is de drijvende kracht achter evolutie.
a) Leg uit hoe natuurlijke selectie leidt tot aanpassing van populaties. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen natuurlijke en kunstmatige selectie. (1p)

Vraag 9 (2p)

Soortvorming is het ontstaan van nieuwe soorten.
a) Leg uit wat reproductieve isolatie is en hoe dit tot soortvorming leidt. (1p)
b) Leg uit hoe verwantschap tussen soorten kan worden weergegeven in een cladogram. (1p)

Vraag 10 (2p)

Bekijk de afbeelding van een bosecosysteem.
De mens beinvloedt ecosystemen op verschillende manieren.
a) Leg uit hoe de introductie van een exoot een ecosysteem kan verstoren. (1p)
b) Leg uit hoe klimaatverandering de koolstofkringloop verstoort. (1p)