Oefenexamen HAVO — Biologie
Populatie- en ecosysteemniveau (P) — 10 vragen — ca. 22 punten
This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.
Oefenexamen HAVO — Biologie
Populatie- en ecosysteemniveau (P) — 10 vragen — ca. 22 punten
Vraag 1 (2p)
Bekijk de afbeelding van een bosecosysteem.
In een ecosysteem stroomt energie van producenten naar consumenten.
a) Leg uit wat het verschil is tussen een producent, een consument en een reducent. (1p)
b) Leg uit waarom er op elk hoger trofisch niveau minder energie beschikbaar is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Producent: maakt zelf organische stoffen via fotosynthese. Consument: eet andere organismen. Reducent: breekt dood materiaal af tot anorganische stoffen (1p). b) Op elk niveau gaat energie verloren als warmte (dissimilatie) en in niet-verteerbare delen. Slechts ca. 10% wordt doorgegeven (1p).
Vraag 2 (2p)
Bekijk de afbeelding van een bosecosysteem.
Kringlopen zijn essentieel voor ecosystemen.
a) Beschrijf de koolstofkringloop: welke rol spelen fotosynthese en dissimilatie? (1p)
b) Noem twee processen uit de stikstofkringloop. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Fotosynthese: planten leggen CO2 vast in glucose (koolstof gebonden). Dissimilatie: organismen breken glucose af en geven CO2 vrij (koolstof losgelaten) (1p). b) Twee uit: nitrificatie (ammonium -> nitraat), denitrificatie (nitraat -> N2), stikstofbinding (N2 -> ammonium), ammonificatie (organisch -> ammonium) (1p).
Vraag 3 (2p)
In een ecosysteem spelen biotische en abiotische factoren een rol.
a) Noem twee biotische en twee abiotische factoren. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen een habitat en een niche. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Biotisch: predatie, concurrentie, parasitisme, voedselaanbod. Abiotisch: temperatuur, licht, water, bodem, pH (1p). b) Habitat: de fysieke plek waar een organisme leeft. Niche: de functionele rol van een organisme in het ecosysteem (1p).
Vraag 4 (2p)
Bekijk de afbeelding van een koraalrif.
Ecosystemen ontwikkelen zich door successie.
a) Leg uit het verschil tussen een pioniersoort en een climaxecosysteem. (1p)
b) Leg uit wat draagkracht inhoudt en wat een beperkende factor is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Pioniersoort: eerste soort die een kaal gebied koloniseert (tolerant, snelle voortplanting). Climax: stabiel eindstadium met hoge biodiversiteit (1p). b) Draagkracht: maximale populatiegrootte die een ecosysteem duurzaam kan ondersteunen. Beperkende factor: de factor die de draagkracht bepaalt (voedsel, ruimte, water) (1p).
Vraag 5 (2p)
Bekijk de afbeelding van een koraalrif.
Voedselrelaties vormen de basis van ecosystemen.
a) Noem drie typen relaties in een voedselweb. (1p)
b) Leg uit waarom accumulatie van schadelijke stoffen toeneemt op hogere trofische niveaus. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Drie uit: predatie (roofdier eet prooi), parasitisme (parasiet leeft ten koste van gastheer), mutualisme (beide profiteren), commensalisme (een profiteert, ander neutraal) (1p). b) Schadelijke stoffen (persistent, niet-afbreekbaar) worden op elk trofisch niveau geconcentreerd: roofdieren eten veel prooien -> bioaccumulatie/biomagnificatie (1p).
Vraag 6 (2p)
Duurzame ontwikkeling is belangrijk voor het behoud van ecosystemen.
a) Leg uit wat duurzame ontwikkeling inhoudt. (1p)
b) Leg uit hoe biologische landbouw bijdraagt aan duurzaamheid. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Duurzame ontwikkeling: voorzien in de behoeften van het heden zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties in gevaar te brengen (1p). b) Biologische landbouw: minder bestrijdingsmiddelen, geen kunstmest, meer biodiversiteit, gesloten kringlopen. Draagt bij aan gezondere bodem en minder milieubelasting (1p).
Vraag 7 (2p)
Genetische variatie is de basis voor evolutie.
a) Leg uit hoe mutatie en recombinatie bijdragen aan genetische variatie in een populatie. (1p)
b) Leg uit wat het verschil is tussen genetische variatie en fenotypische variatie. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Mutatie: verandering in DNA, bron van nieuwe allelen. Recombinatie: door meiose en bevruchting ontstaan steeds nieuwe combinaties van allelen (1p). b) Genetische variatie: verschillen in DNA/allelen. Fenotypische variatie: zichtbare verschillen, bepaald door zowel genotype als milieu (1p).
Vraag 8 (2p)
Natuurlijke selectie is de drijvende kracht achter evolutie.
a) Leg uit hoe natuurlijke selectie leidt tot aanpassing van populaties. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen natuurlijke en kunstmatige selectie. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Individuen met gunstige eigenschappen (hogere fitness) overleven beter en planten zich meer voort; hun allelen nemen toe in de populatie -> geleidelijke aanpassing aan de omgeving (1p). b) Natuurlijk: de omgeving selecteert (fitness). Kunstmatig: de mens selecteert op gewenste eigenschappen (veredeling, fokken) (1p).
Vraag 9 (2p)
Soortvorming is het ontstaan van nieuwe soorten.
a) Leg uit wat reproductieve isolatie is en hoe dit tot soortvorming leidt. (1p)
b) Leg uit hoe verwantschap tussen soorten kan worden weergegeven in een cladogram. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Reproductieve isolatie: populaties kunnen zich niet meer onderling voortplanten (bijv. door geografische scheiding). Na lange tijd ontstaan twee aparte soorten (1p). b) Een cladogram is een vertakt diagram dat verwantschap weergeeft op basis van gemeenschappelijke voorouders. Hoe meer vertakkingen twee soorten delen, hoe nauwer verwant (1p).
Vraag 10 (2p)
Bekijk de afbeelding van een bosecosysteem.
De mens beinvloedt ecosystemen op verschillende manieren.
a) Leg uit hoe de introductie van een exoot een ecosysteem kan verstoren. (1p)
b) Leg uit hoe klimaatverandering de koolstofkringloop verstoort. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Een exoot heeft geen natuurlijke vijanden, kan inheemse soorten verdringen door concurrentie of predatie, en het ecologisch evenwicht verstoren (1p). b) Verbranding fossiele brandstoffen brengt CO2 in de atmosfeer die miljoenen jaren was vastgelegd -> versterkt broeikaseffect -> verstoort evenwicht vastlegging/vrijkomen koolstof (1p).