Oefenexamen VWO — Geschiedenis
Duitsland in Europa 1918-1991 — 10 vragen — ca. 27 punten
Lesson by LessonUp Examentraining
This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.
Oefenexamen VWO — Geschiedenis
Duitsland in Europa 1918-1991 — 10 vragen — ca. 27 punten
Opkomst nationaalsocialisme (1918-1945)
Vraag 1 (3p)
Het Verdrag van Versailles (1919) legde Duitsland zware voorwaarden op.
a) Noem twee bepalingen die Duitsland als vernederend ervoer. (1p)
b) Leg uit wat de Dolchstosslegende inhield. (1p)
c) Leg uit hoe de Beurskrach van 1929 bijdroeg aan de opkomst van de NSDAP. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Twee uit: oorlogsschuld (art. 231) / herstelbetalingen / gebiedsverlies / beperking leger (1p). b) Het idee dat het leger niet op het slagveld was verslagen maar 'in de rug gestoken' door politici, socialisten en Joden (1p). c) Massawerkloosheid (6 miljoen) ondermijnde vertrouwen in democratie; Hitler beloofde werk, nationale eenheid en het ongedaan maken van Versailles (1p).
Vraag 2 (3p)
Hitler werd in 1933 rijkskanselier. Met terreur en propaganda bouwden de nazi's een totalitair regime op.
a) Leg uit hoe Hitler via de Rijksdagbrand en de Machtigingswet de democratie afschafte. (2p)
b) Leg uit wat gelijkschakeling (Gleichschaltung) inhield. Noem twee voorbeelden. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) De Rijksdagbrand werd aangegrepen voor een noodverordening die grondrechten ophief (1p). De Machtigingswet gaf Hitler het recht wetten te maken zonder parlement (1p). b) Alle organisaties onder NSDAP-controle. Twee uit: verbod partijen, Hitlerjugend, propaganda Goebbels, gelijkschakeling pers/rechtspraak (1p).
Vraag 3 (3p)
De vervolging van Joden verliep in fasen, van uitsluiting tot genocide.
a) Beschrijf drie fasen van de Jodenvervolging met bij elke fase een concreet voorbeeld. (3p)
Antwoord
Maximumscore 3 Uitsluiting: Neurenberger wetten (1935) (1p). Escalatie: Kristallnacht (1938) (1p). Isolatie/genocide: getto's + Endlösung, Wannseeconferentie (1942), vernietigingskampen (1p).
Vraag 4 (2p)
De bezetting van Nederland door nazi-Duitsland had verstrekkende gevolgen.
a) Noem twee maatregelen die de bezetter nam tegen de Nederlandse bevolking. (1p)
b) Van de 140.000 Joden in Nederland werden er 102.000 vermoord (73%). Leg uit waarom dit percentage zo hoog was. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: arbeidsdienst, Arbeitseinsatz, uitschakeling rechtsstaat, Jodenvervolging (registratie, deportatie via Westerbork), razzia's, censuur (1p). b) Effectieve bureaucratie en bevolkingsregistratie maakten identificatie en deportatie gemakkelijk / relatief weinig verzet / Kamp Westerbork als doorvoerkamp (1p).
Koude Oorlog en Duitsland (1945-1961)
Vraag 5 (3p)
Bekijk de foto van de Berlijnse Muur.
Na 1945 werd Duitsland verdeeld in vier bezettingszones.
a) Leg uit hoe de ideologische tegenstelling tussen VS en SU leidde tot de deling van Duitsland. (1p)
b) Beschrijf het verschil tussen de BRD en de DDR op politiek en economisch gebied. (2p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) VS en SU hadden tegengestelde ideologieën (kapitalisme vs communisme); de westelijke zones werden de BRD (NAVO), de Sovjet-zone de DDR (Warschaupact) (1p). b) BRD: parlementaire democratie, vrije markt, Wirtschaftswunder, Adenauer (1p). DDR: eenpartijstaat (SED), planeconomie, Stasi, censuur, beperkte reisvrijheid (1p).
Vraag 6 (3p)
Bekijk de foto van de Berlijnse Muur.
Op 13 augustus 1961 begon de DDR met de bouw van de Berlijnse Muur.
a) Noem een economisch en een politiek motief. (2p)
b) De DDR presenteerde zichzelf als erfgenaam van het communistische verzet tegen de nazi's. Leg uit waarom dit voor de DDR-leiders belangrijk was. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Economisch: brain drain — 2,5 miljoen burgers gevlucht (1p). Politiek: prestigeprobleem, bewijs dat burgers het systeem afwezen (1p). b) Door zichzelf als anti-fascistisch te presenteren legitimeerden de DDR-leiders hun regime en konden ze de BRD beschuldigen van onvoldoende denazificatie (1p).
Hereniging en Europese integratie (1961-1991)
Vraag 7 (3p)
Willy Brandt voerde als bondskanselier (1969-1974) de Ostpolitik.
a) Leg uit wat de Ostpolitik inhield. (1p)
b) Waarom was de knieval van Brandt in Warschau (1970) zo'n sterk symbool? (1p)
c) In de BRD ontaardde kritiek op de consumptiemaatschappij en onvoldoende denazificatie in links terrorisme (Baader-Meinhof Gruppe). Leg uit hoe dit samenhing met de naoorlogse Duitse geschiedenis. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Toenadering tot Oost-Europa en de DDR; normalisering, verdragen sluiten, detente (1p). b) Brandt erkende als Duits staatshoofd de schuld voor de Holocaust — een onverwacht gebaar van berouw (1p). c) Een generatie jongeren verweet hun ouders medeplichtigheid aan het nazi-regime; de onvoldoende confrontatie met het verleden (onvolledige denazificatie) voedde radicalisering (1p).
Vraag 8 (3p)
Gorbatsjov voerde vanaf 1985 hervormingen door.
a) Leg uit wat glasnost en perestrojka inhielden. (2p)
b) Leg uit hoe het loslaten van de Brezjnev-doctrine de val van de Berlijnse Muur mogelijk maakte. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Glasnost: openheid, persvrijheid (1p). Perestrojka: economische herstructurering, meer marktwerking (1p). b) De Brezjnev-doctrine hield in dat de SU militair ingreep als een land het communisme verliet. Gorbatsjov liet dit los (Sinatra-doctrine), waardoor de DDR niet meer op Sovjet-steun kon rekenen en de demonstraties van 1989 de muur lieten vallen (1p).
Vraag 9 (3p)
Op 9 november 1989 viel de Berlijnse Muur. Op 3 oktober 1990 werd Duitsland herenigd.
a) Noem twee gevolgen van de hereniging voor Duitsland. (2p)
b) Bondskanselier Kohl accepteerde de invoering van de euro in ruil voor Franse steun voor de hereniging. Leg uit bij welk kenmerkend aspect dit past. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Twee uit: economische kloof Oost-West (werkloosheid in het Oosten) / culturele vervreemding ('Mauer im Kopf') / enorme kosten voor West-Duitsland / immigratie als uitdaging (2p). b) KA 47: de eenwording van Europa — de hereniging werd gekoppeld aan verdere Europese integratie (EU, euro) (1p).