LessonUp Examentraining
Oefenexamens voor jouw leerlingen!

Oefenexamen HAVO - Welvaart, groei & conjunctuur (H+I)

Oefenexamen HAVO — Economie

Welvaart, groei & conjunctuur (H+I) — 10 vragen — ca. 24 punten


1 / 11
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.

Report this lesson

Items in this lesson

Oefenexamen HAVO — Economie

Welvaart, groei & conjunctuur (H+I) — 10 vragen — ca. 24 punten


Vraag 1 (3p)

De macro-economische kringloop beschrijft de geldstromen in een economie.
a) Noem de drie bestedingscategorieen in de macro-economische kringloop. (1p)
b) Leg uit wat het BBP (bruto binnenlands product) is en hoe het kan worden berekend. (1p)
c) Leg uit waarom het BBP per hoofd een betere welvaartsmaatstaf is dan het totale BBP. (1p)

Vraag 2 (2p)

Economische groei wordt bepaald door productiefactoren.
a) Noem de vier productiefactoren. (1p)
b) Noem twee manieren waarop de arbeidsproductiviteit kan worden verhoogd. (1p)

Vraag 3 (2p)

De arbeidsmarkt kent vraag naar en aanbod van arbeid.
a) Leg uit het verschil tussen arbeidsvraag en arbeidsaanbod. (1p)
b) Noem twee oorzaken van werkloosheid. (1p)

Vraag 4 (2p)

De overheid herverdeelt inkomens.
a) Leg uit het verschil tussen primair inkomen en secundair inkomen. (1p)
b) Leg uit wat de Lorenz-curve laat zien en wat de Gini-coefficient meet. (1p)

Vraag 5 (3p)

Bekijk de afbeelding van een containerschip.
De overheid heeft inkomsten en uitgaven.
a) Noem twee soorten belastingen en geef bij elk een voorbeeld. (1p)
b) Leg uit wat progressieve belasting inhoudt en waarom de overheid hiervoor kiest. (1p)
c) Leg uit het verschil tussen collectieve lasten en sociale premies. (1p)

Vraag 6 (2p)

De conjunctuur beschrijft schommelingen in de economische activiteit.
a) Leg uit wat het verschil is tussen hoogconjunctuur en laagconjunctuur. (1p)
b) Noem twee verschijnselen die kenmerkend zijn voor laagconjunctuur. (1p)

Vraag 7 (3p)

Bekijk de afbeelding van een containerschip.
De overheid kan conjunctuurbeleid voeren.
a) Leg uit het verschil tussen budgettair beleid en monetair beleid. (1p)
b) Leg uit hoe de overheid bij een recessie de bestedingen kan stimuleren. (1p)
c) Leg uit wat het multipliereffect inhoudt. (1p)

Vraag 8 (2p)

Inflatie is een stijging van het algemeen prijspeil.
a) Noem twee oorzaken van inflatie. (1p)
b) Leg uit waarom inflatie nadelig kan zijn voor spaarders. (1p)

Vraag 9 (2p)

De Europese Centrale Bank (ECB) voert het monetaire beleid.
a) Leg uit wat het belangrijkste doel van de ECB is. (1p)
b) Leg uit hoe de ECB de economie kan stimuleren door de rente te verlagen. (1p)

Vraag 10 (2p)

Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
De welvaart van een land hangt af van meer dan alleen het BBP.
a) Noem twee beperkingen van het BBP als welvaartsmaatstaf. (1p)
b) Noem een alternatieve welvaartsmaatstaf en leg uit wat deze meet. (1p)