Oefenexamen HAVO — Economie
Welvaart, groei & conjunctuur (H+I) — 10 vragen — ca. 24 punten
This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.
Oefenexamen HAVO — Economie
Welvaart, groei & conjunctuur (H+I) — 10 vragen — ca. 24 punten
Vraag 1 (3p)
De macro-economische kringloop beschrijft de geldstromen in een economie.
a) Noem de drie bestedingscategorieen in de macro-economische kringloop. (1p)
b) Leg uit wat het BBP (bruto binnenlands product) is en hoe het kan worden berekend. (1p)
c) Leg uit waarom het BBP per hoofd een betere welvaartsmaatstaf is dan het totale BBP. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Consumptie (gezinnen), investeringen (bedrijven), overheidsbestedingen. Plus: export - import (netto export) (1p). b) BBP: de totale waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten in een jaar. Berekening via: bestedingsmethode (C+I+O+E-M) of inkomens-methode (som van alle inkomens) of productiemethode (som van alle toegevoegde waarden) (1p). c) BBP per hoofd houdt rekening met de bevolkingsomvang; een land met een groot BBP maar ook veel inwoners kan per persoon arm zijn (1p).
Vraag 2 (2p)
Economische groei wordt bepaald door productiefactoren.
a) Noem de vier productiefactoren. (1p)
b) Noem twee manieren waarop de arbeidsproductiviteit kan worden verhoogd. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Arbeid, kapitaal, natuur, ondernemerschap (1p). b) Twee uit: investeren in onderwijs/scholing, technologische innovatie, betere machines (diepte-investeringen), learning by doing, betere organisatie (1p).
Vraag 3 (2p)
De arbeidsmarkt kent vraag naar en aanbod van arbeid.
a) Leg uit het verschil tussen arbeidsvraag en arbeidsaanbod. (1p)
b) Noem twee oorzaken van werkloosheid. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Arbeidsvraag: werkgelegenheid + openstaande vacatures (door werkgevers). Arbeidsaanbod: beroepsbevolking = iedereen die wil en kan werken (15-75 jaar) (1p). b) Twee uit: frictiewerkloosheid (zoektijd), mismatch (verkeerde opleiding/regio), conjunctureel (te weinig vraag naar producten), structureel (technologische verandering) (1p).
Vraag 4 (2p)
De overheid herverdeelt inkomens.
a) Leg uit het verschil tussen primair inkomen en secundair inkomen. (1p)
b) Leg uit wat de Lorenz-curve laat zien en wat de Gini-coefficient meet. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Primair inkomen: inkomen uit productiefactoren (loon, winst, rente, pacht) voor belasting. Secundair inkomen: inkomen na herverdeling door overheid (belastingen eraf, uitkeringen erbij) (1p). b) Lorenz-curve: toont de inkomensverdeling; hoe verder van de 45-gradenlijn, hoe ongelijker. Gini-coefficient: getal tussen 0 (volledig gelijk) en 1 (volledig ongelijk) dat de ongelijkheid meet (1p).
Vraag 5 (3p)
Bekijk de afbeelding van een containerschip.
De overheid heeft inkomsten en uitgaven.
a) Noem twee soorten belastingen en geef bij elk een voorbeeld. (1p)
b) Leg uit wat progressieve belasting inhoudt en waarom de overheid hiervoor kiest. (1p)
c) Leg uit het verschil tussen collectieve lasten en sociale premies. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Directe belasting (loon-/inkomstenbelasting, winstbelasting) en indirecte belasting (BTW, accijns) (1p). b) Progressief: hoger inkomen -> hoger belastingpercentage. De overheid kiest hiervoor om inkomens te herverdelen (draagkrachtbeginsel: sterkste schouders dragen zwaarste lasten) (1p). c) Collectieve lasten: alle verplichte betalingen aan de overheid (belastingen + sociale premies). Sociale premies: bijdragen voor sociale verzekeringen (bijv. AOW, WW, zorgverzekering) (1p).
Vraag 6 (2p)
De conjunctuur beschrijft schommelingen in de economische activiteit.
a) Leg uit wat het verschil is tussen hoogconjunctuur en laagconjunctuur. (1p)
b) Noem twee verschijnselen die kenmerkend zijn voor laagconjunctuur. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Hoogconjunctuur: de werkelijke productie (BBP) groeit sneller dan de trend (potentiele productie). Laagconjunctuur: BBP groeit langzamer dan de trend of daalt (1p). b) Twee uit: stijgende werkloosheid, dalende bestedingen, dalende bedrijfswinsten, stijgend begrotingstekort, dalend consumentenvertrouwen (1p).
Vraag 7 (3p)
Bekijk de afbeelding van een containerschip.
De overheid kan conjunctuurbeleid voeren.
a) Leg uit het verschil tussen budgettair beleid en monetair beleid. (1p)
b) Leg uit hoe de overheid bij een recessie de bestedingen kan stimuleren. (1p)
c) Leg uit wat het multipliereffect inhoudt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Budgettair beleid: overheid verandert uitgaven of belastingen (bijv. meer investeren, belastingverlaging). Monetair beleid: centrale bank (ECB) verandert de rente of geldvoorraad (1p). b) Bij recessie: overheid verhoogt uitgaven (investeren in infrastructuur) of verlaagt belastingen -> meer koopkracht -> meer bestedingen -> productie stijgt (1p). c) Multiplier: een toename van bestedingen leidt tot een meer dan evenredige toename van het nationaal inkomen. Extra inkomen wordt deels opnieuw besteed -> kettingreactie (1p).
Vraag 8 (2p)
Inflatie is een stijging van het algemeen prijspeil.
a) Noem twee oorzaken van inflatie. (1p)
b) Leg uit waarom inflatie nadelig kan zijn voor spaarders. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: bestedingsinflatie (te veel vraag), kosteninflatie (stijgende productiekosten, bijv. grondstoffen of lonen), te veel geld in omloop (1p). b) Bij inflatie daalt de koopkracht van spaargeld. Als de inflatie hoger is dan de spaarrente, verliest de spaarder reeel geld (negatieve reele rente) (1p).
Vraag 9 (2p)
De Europese Centrale Bank (ECB) voert het monetaire beleid.
a) Leg uit wat het belangrijkste doel van de ECB is. (1p)
b) Leg uit hoe de ECB de economie kan stimuleren door de rente te verlagen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Prijsstabiliteit: de inflatie rond de 2% houden in de eurozone (1p). b) Lagere rente -> lenen wordt goedkoper -> bedrijven investeren meer, consumenten lenen meer -> bestedingen stijgen -> productie en werkgelegenheid nemen toe (1p).
Vraag 10 (2p)
Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
De welvaart van een land hangt af van meer dan alleen het BBP.
a) Noem twee beperkingen van het BBP als welvaartsmaatstaf. (1p)
b) Noem een alternatieve welvaartsmaatstaf en leg uit wat deze meet. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: houdt geen rekening met inkomensverdeling, milieuvervuiling, informele economie, vrije tijd, welzijn/geluk, onbetaalde arbeid (1p). b) Bijv. HDI (Human Development Index): meet welvaart op basis van inkomen + levensverwachting + onderwijs. Of: breed welvaartsbegrip / ecologische voetafdruk / Genuine Progress Indicator (1p).