Oefenexamen VWO — Economie
Markt & risico (D+G) — 10 vragen — ca. 26 punten
This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.
Oefenexamen VWO — Economie
Markt & risico (D+G) — 10 vragen — ca. 26 punten
Vraag 1 (3p)
Op een markt komen vraag en aanbod samen.
a) Leg uit hoe de individuele vraaglijn wordt afgeleid uit het verband tussen prijs en marginaal nut. (1p)
b) Leg uit hoe de individuele aanbodlijn samenhangt met het verloop van de marginale kosten. (1p)
c) Bereken de evenwichtsprijs als Qv = -2P + 100 en Qa = 3P - 25. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) De individuele vraaglijn toont de betalingsbereidheid; bij hogere prijs daalt de gevraagde hoeveelheid (afnemend marginaal nut: elk extra eenheid levert minder nut op) (1p). b) De individuele aanbodlijn valt samen met het stijgende deel van de MK-curve (boven de GVK): bij hogere prijs is de producent bereid meer aan te bieden omdat MO >= MK (1p). c) Evenwicht: Qv = Qa -> -2P + 100 = 3P - 25 -> 125 = 5P -> P = 25 (1p).
Vraag 2 (3p)
Prijselasticiteit en kruiselingse elasticiteit zijn belangrijke concepten.
a) Leg uit het verschil tussen prijselasticiteit van de vraag en inkomenselasticiteit. (1p)
b) Een product heeft een kruiselingse elasticiteit van +0,8 met een ander product. Wat betekent dit? (1p)
c) Leg uit waarom een monopolist een hogere prijs kan vragen in een marktsegment met een lage prijselasticiteit. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Prijselasticiteit: mate waarin Qv verandert bij prijsverandering. Inkomenselasticiteit: mate waarin Qv verandert bij inkomensverandering. Bij luxegoederen is inkomenselasticiteit > 1 (1p). b) Positieve kruiselingse elasticiteit: de producten zijn substituten. Als de prijs van het ene product met 1% stijgt, stijgt de vraag naar het andere met 0,8% (1p). c) Bij lage prijselasticiteit reageren consumenten weinig op prijsstijging (weinig alternatieven). De monopolist kan daar een hogere prijs zetten zonder veel klanten te verliezen (prijsdiscriminatie) (1p).
Vraag 3 (3p)
Een bedrijf opereert op een markt met volkomen concurrentie.
a) Noem drie kenmerken van volkomen concurrentie. (1p)
b) Leg uit waarom op lange termijn de economische winst bij volkomen concurrentie nul is. (1p)
c) Leg uit het verschil in prijsvorming tussen een monopolist (prijszetter) en een aanbieder bij volkomen concurrentie (hoeveelheidsaanpasser). (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Drie uit: veel aanbieders, homogeen product, vrije toe- en uittreding, transparante markt, geen invloed op prijs (1p). b) Bij winst treden nieuwe aanbieders toe -> aanbod stijgt -> prijs daalt tot P = GTK (break-even). Bij verlies treden aanbieders uit -> aanbod daalt -> prijs stijgt. Op lange termijn: P = minimum GTK, winst = 0 (1p). c) Monopolist is prijszetter: bepaalt zelf de prijs (of hoeveelheid), MO < P. Bij volkomen concurrentie is de aanbieder hoeveelheidsaanpasser: neemt de marktprijs als gegeven, MO = P (1p).
Vraag 4 (2p)
Externe effecten zijn een vorm van marktfalen.
a) Leg uit hoe een negatief extern effect leidt tot een welvaartsverlies. Gebruik de begrippen maatschappelijke kosten en private kosten. (1p)
b) Noem twee manieren waarop de overheid negatieve externe effecten kan internaliseren. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Bij een negatief extern effect zijn de maatschappelijke kosten hoger dan de private kosten (de producent houdt geen rekening met de schade voor derden). Er wordt te veel geproduceerd -> welvaartsverlies (1p). b) Twee uit: heffing/belasting (Pigouviaanse belasting), verhandelbare emissierechten, regulering (verbod/maximum), subsidie op schone alternatieven (1p).
Vraag 5 (2p)
Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
Consumentensurplus en producentensurplus vormen samen het totale surplus.
a) Leg uit wat er met het totale surplus gebeurt als de overheid een maximumprijs instelt onder de evenwichtsprijs. (1p)
b) Leg uit wat een deadweight loss (welvaartsverlies) is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Bij een maximumprijs onder evenwicht: er ontstaat een vraagoverschot. Het consumentensurplus verandert (deel gaat naar consumenten die wel kopen, deel gaat verloren). Het producentensurplus daalt. Het totale surplus daalt -> er ontstaat een deadweight loss (1p). b) Deadweight loss: het welvaartsverlies dat ontstaat doordat transacties die voor beide partijen voordelig zouden zijn, niet plaatsvinden (door overheidsingrijpen of marktfalen) (1p).
Vraag 6 (3p)
Asymmetrische informatie leidt tot marktfalen.
a) Leg uit wat averechtse selectie is. Geef een voorbeeld op de verzekeringsmarkt. (1p)
b) Leg uit wat moral hazard is en noem een maatregel ertegen. (1p)
c) Leg uit hoe het principaal-agentprobleem samenhangt met asymmetrische informatie. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Averechtse selectie: bij asymmetrische informatie selecteert de markt de 'verkeerde' partijen. Verzekeringsmarkt: hoog-risico's verzekeren zich eerder -> premie stijgt -> laag-risico's haken af -> spiraal (1p). b) Moral hazard: na het afsluiten van een contract gaat een partij zich risicovoller gedragen (minder voorzichtig). Maatregel: eigen risico, monitoring, bonus-malus (1p). c) Principaal-agent: de principaal (opdrachtgever) kan niet volledig controleren of de agent (uitvoerder) in zijn belang handelt, omdat de agent meer informatie heeft over zijn eigen inspanning (1p).
Vraag 7 (2p)
Bekijk de afbeelding van een containerschip.
Risicoaversie speelt een rol bij economische beslissingen.
a) Leg uit wat risicoaversie inhoudt en hoe dit het gedrag van consumenten beinvloedt. (1p)
b) Leg uit waarom verplichte solidariteit bij verzekeringen het probleem van averechtse selectie kan oplossen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Risicoaversie: mensen zijn bereid een premie te betalen die hoger is dan het verwachte verlies, om het risico van een grote schade te vermijden (zekerheid boven onzekerheid) (1p). b) Bij verplichte verzekering doen alle risicogroepen mee (ook laag-risico's). Hierdoor blijft de gemiddelde schade lager en de premie betaalbaarder -> averechtse selectie opgelost (1p).
Vraag 8 (2p)
Een monopolist maximaliseert zijn winst.
a) Bij welke conditie maximaliseert een monopolist zijn winst? Leg uit waarom MO < P bij een monopolist. (1p)
b) Leg uit waarom een monopolie leidt tot een lager totaal surplus dan volkomen concurrentie. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Winstmaximalisatie bij MO = MK. Bij een monopolist is MO < P omdat hij de prijs moet verlagen om meer te verkopen (dalende vraaglijn = dalende GO-lijn, MO daalt sneller) (1p). b) Een monopolist produceert minder en vraagt een hogere prijs dan bij volkomen concurrentie -> consumentensurplus daalt, deel wordt winst monopolist, maar er ontstaat een deadweight loss (transacties die niet plaatsvinden) (1p).
Vraag 9 (2p)
Collectieve goederen zijn een bijzonder geval van marktfalen.
a) Noem de twee kenmerken van een collectief goed en leg uit waarom de markt dit goed niet efficient kan leveren. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen een collectief goed en een quasi-collectief goed. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Niet-uitsluitbaar (je kunt niemand uitsluiten) en niet-rivaliserend (gebruik gaat niet ten koste van ander). De markt kan het niet leveren omdat niemand vrijwillig betaalt (free-rider) -> de overheid moet het leveren via belastingen (1p). b) Quasi-collectief goed: niet-rivaliserend maar wel uitsluitbaar (bijv. tolweg, kabel-tv). De overheid kan uitsluitingsmechanismen inzetten (prijs vragen) (1p).
Vraag 10 (2p)
Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
De overheid grijpt in bij marktfalen.
a) Noem drie vormen van marktfalen. (1p)
b) Leg uit waarom overheidsingrijpen ook kan leiden tot overheidsfalen (government failure). (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Drie uit: externe effecten, marktmacht (monopolie), collectieve goederen, asymmetrische informatie, merit/demerit goods (1p). b) Overheidsfalen: de overheid kan verkeerde keuzes maken door onvolledige informatie, politieke belangen, bureaucratie of onbedoelde neveneffecten van beleid (bijv. subsidie die inefficientie in stand houdt) (1p).