LessonUp Examentraining
Oefenexamens voor jouw leerlingen!

Oefenexamen VWO - Markt & risico (D+G)

Oefenexamen VWO — Economie

Markt & risico (D+G) — 10 vragen — ca. 26 punten


1 / 11
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.

Introduction

Deel dit oefenexamen met je leerlingen, zodat ze zich goed kunnen voorbereiden op hun examen. Delen van deze les gaat via de knop 'Delen'. Kies vervolgens voor 'Studenten (link)'. Hiermee hebben de leerlingen ook thuis de volledige interactie.

Items in this lesson

Oefenexamen VWO — Economie

Markt & risico (D+G) — 10 vragen — ca. 26 punten


Vraag 1 (3p)

Op een markt komen vraag en aanbod samen.
a) Leg uit hoe de individuele vraaglijn wordt afgeleid uit het verband tussen prijs en marginaal nut. (1p)
b) Leg uit hoe de individuele aanbodlijn samenhangt met het verloop van de marginale kosten. (1p)
c) Bereken de evenwichtsprijs als Qv = -2P + 100 en Qa = 3P - 25. (1p)

Vraag 2 (3p)

Prijselasticiteit en kruiselingse elasticiteit zijn belangrijke concepten.
a) Leg uit het verschil tussen prijselasticiteit van de vraag en inkomenselasticiteit. (1p)
b) Een product heeft een kruiselingse elasticiteit van +0,8 met een ander product. Wat betekent dit? (1p)
c) Leg uit waarom een monopolist een hogere prijs kan vragen in een marktsegment met een lage prijselasticiteit. (1p)

Vraag 3 (3p)

Een bedrijf opereert op een markt met volkomen concurrentie.
a) Noem drie kenmerken van volkomen concurrentie. (1p)
b) Leg uit waarom op lange termijn de economische winst bij volkomen concurrentie nul is. (1p)
c) Leg uit het verschil in prijsvorming tussen een monopolist (prijszetter) en een aanbieder bij volkomen concurrentie (hoeveelheidsaanpasser). (1p)

Vraag 4 (2p)

Externe effecten zijn een vorm van marktfalen.
a) Leg uit hoe een negatief extern effect leidt tot een welvaartsverlies. Gebruik de begrippen maatschappelijke kosten en private kosten. (1p)
b) Noem twee manieren waarop de overheid negatieve externe effecten kan internaliseren. (1p)

Vraag 5 (2p)

Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
Consumentensurplus en producentensurplus vormen samen het totale surplus.
a) Leg uit wat er met het totale surplus gebeurt als de overheid een maximumprijs instelt onder de evenwichtsprijs. (1p)
b) Leg uit wat een deadweight loss (welvaartsverlies) is. (1p)

Vraag 6 (3p)

Asymmetrische informatie leidt tot marktfalen.
a) Leg uit wat averechtse selectie is. Geef een voorbeeld op de verzekeringsmarkt. (1p)
b) Leg uit wat moral hazard is en noem een maatregel ertegen. (1p)
c) Leg uit hoe het principaal-agentprobleem samenhangt met asymmetrische informatie. (1p)

Vraag 7 (2p)

Bekijk de afbeelding van een containerschip.
Risicoaversie speelt een rol bij economische beslissingen.
a) Leg uit wat risicoaversie inhoudt en hoe dit het gedrag van consumenten beinvloedt. (1p)
b) Leg uit waarom verplichte solidariteit bij verzekeringen het probleem van averechtse selectie kan oplossen. (1p)

Vraag 8 (2p)

Een monopolist maximaliseert zijn winst.
a) Bij welke conditie maximaliseert een monopolist zijn winst? Leg uit waarom MO < P bij een monopolist. (1p)
b) Leg uit waarom een monopolie leidt tot een lager totaal surplus dan volkomen concurrentie. (1p)

Vraag 9 (2p)

Collectieve goederen zijn een bijzonder geval van marktfalen.
a) Noem de twee kenmerken van een collectief goed en leg uit waarom de markt dit goed niet efficient kan leveren. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen een collectief goed en een quasi-collectief goed. (1p)

Vraag 10 (2p)

Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
De overheid grijpt in bij marktfalen.
a) Noem drie vormen van marktfalen. (1p)
b) Leg uit waarom overheidsingrijpen ook kan leiden tot overheidsfalen (government failure). (1p)