Oefenexamen VWO — Aardrijkskunde
Domein C: Aarde — 10 vragen — ca. 26 punten
Lesson by LessonUp Examentraining
This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.
Oefenexamen VWO — Aardrijkskunde
Domein C: Aarde — 10 vragen — ca. 26 punten
Endogene processen en kringlopen
Vraag 1 (3p)
Bekijk de foto van een vulkaanuitbarsting.
Platentektoniek is een systeem van interacties tussen delen van de aardkorst.
a) Leg uit het verschil tussen slab pull en ridge push als drijvende krachten achter plaatbewegingen. (2p)
b) Leg uit waarom bij subductiezones het gesteente smelt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Slab pull: de oceaankorst die wegduikt bij een subductiezone trekt de rest van de plaat mee (trekkracht) (1p). Ridge push: bij een mid-oceanische rug duwt het opstijgende magma de platen uiteen (duwkracht) (1p). b) Bij subductiezones wordt zeewater meegevoerd, waardoor het smeltpunt van het gesteente daalt; het gesteente smelt door de toevoeging van water (1p).
Vraag 2 (3p)
Bekijk de foto van een vulkaanuitbarsting.
Het eruptietype van een vulkaan hangt samen met het type plaatgrens en de samenstelling van het magma.
a) Leg uit het verschil tussen een stratovulkaan en een schildvulkaan. (1p)
b) Leg uit hoe de viscositeit van het magma het eruptietype bepaalt. (1p)
c) Leg uit waarom hotspot-vulkanisme verschilt van vulkanisme bij plaatgrenzen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Stratovulkaan: steil, explosieve erupties, bij convergente grenzen. Schildvulkaan: breed en vlak, effusieve erupties, bij divergente grenzen/hotspots (1p). b) Hoge viscositeit (dik magma): gas kan niet ontsnappen -> explosief. Lage viscositeit (dun magma): gas ontsnapt makkelijk -> effusief/rustig (1p). c) Hotspot: magma stijgt op vanuit een vast punt in de mantel (mantelpluim), onafhankelijk van plaatgrenzen. Bij plaatgrenzen ontstaat vulkanisme door interactie tussen platen (1p).
Vraag 3 (2p)
Bekijk de foto van de Grand Canyon.
Verwering en erosie zijn exogene processen die het aardoppervlak vormen.
a) Leg uit waarom in de aride zone vooral mechanische verwering overheerst. (1p)
b) Leg uit hoe stroomsnelheid en transportmechanisme de korrelgrootte van sediment bepalen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) In de aride zone is er weinig water en vegetatie; door grote temperatuurverschillen dag/nacht zet gesteente uit en krimpt, waardoor het splijt (temperatuurverwering) (1p). b) Hoge stroomsnelheid: groot materiaal (grind, stenen) wordt meegesleurd. Lage stroomsnelheid: alleen fijn materiaal (klei, silt) blijft in suspensie; grof materiaal wordt afgezet. De korrelgrootteverdeling van sediment hangt af van de transportkracht (1p).
Vraag 4 (3p)
De gesteentekringloop beschrijft hoe gesteenten voortdurend worden gevormd, afgebroken en opnieuw gevormd.
a) Noem de drie hoofdtypen gesteente en geef bij elk een voorbeeld. (1p)
b) Leg uit hoe sedimentgesteente kan worden omgezet in metamorf gesteente. (1p)
c) Leg uit hoe de gesteentekringloop en de hydrologische kringloop met elkaar samenhangen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Stollingsgesteenten (graniet, basalt), sedimentgesteenten (kalksteen, zandsteen), metamorfe gesteenten (leisteen, marmer) (1p). b) Door hoge druk en/of warmte (bijv. bij gebergtevorming of nabij magma) wordt sedimentgesteente omgezet zonder te smelten (1p). c) Water (hydrologische kringloop) is de motor van verwering, erosie, transport en sedimentatie, waardoor gesteente wordt afgebroken en elders weer afgezet (1p).
Klimaat en landschapszones
Vraag 5 (3p)
Het mondiale klimaatsysteem wordt aangedreven door zonne-energie.
a) Leg uit hoe de ITCZ het neerslagpatroon in de tropen bepaalt. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen atmosferische circulatie en thermohaliene circulatie. (1p)
c) Beschrijf hoe zeestromingen het klimaat van kustgebieden kunnen beinvloeden. Geef een voorbeeld. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Bij de ITCZ stijgt warme, vochtige lucht op en condenseert, waardoor er veel neerslag valt. De ITCZ verschuift met de seizoenen, waardoor gebieden een nat en een droog seizoen hebben (1p). b) Atmosferische circulatie: luchtstromen aangedreven door zonneenergie en aardrotatie (Hadley, Ferrel, poolcel). Thermohaliene circulatie: diepwaterpomp aangedreven door dichtheidsverschillen in zeewater (temperatuur en zoutgehalte) (1p). c) Warme zeestroom (bijv. Golfstroom) verwarmt kustgebied (West-Europa mild). Koude zeestroom (bijv. Humboldtstroom) koelt kustgebied (Peru droog) (1p).
Vraag 6 (2p)
Het landschap is een dynamisch systeem waarin geofactoren met elkaar samenhangen.
a) Noem vier geofactoren die samen een landschapszone bepalen. (1p)
b) Leg uit waarom klimaatgebieden en landschapszones niet altijd samenvallen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Vier uit: gesteente en relief, klimaat en lucht, bodem, water, flora en fauna, de mens (1p). b) Landschapszones worden bepaald door meerdere geofactoren, niet alleen klimaat. Bodem, relief en menselijk ingrijpen kunnen ertoe leiden dat de grenzen van landschapszones afwijken van klimaatgrenzen (diffuse overgangen) (1p).
Vraag 7 (3p)
Landdegradatie is een wereldwijd probleem.
a) Noem drie vormen van landdegradatie. (1p)
b) Leg uit hoe klimaatverandering processen van landdegradatie kan versterken. (1p)
c) Leg uit wat het verschil is tussen de ecologische draagkracht van de gematigde zone en de tropische zone bij intensief landgebruik. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Drie uit: bodemerosie, verzilting, verwoestijning (1p). b) Klimaatverandering leidt tot langere droogtes en extremere neerslag, waardoor bodemerosie en verwoestijning toenemen (1p). c) In de gematigde zone is de bodem dikker en vruchtbaarder; vegetatie herstelt sneller na gebruik. In de tropen is de bodem dunner en uitgeloogd; na ontbossing spoelt de bodem snel weg en is herstel veel moeilijker (lagere ecologische draagkracht) (1p).
Middellandse Zeegebied
Vraag 8 (3p)
Het Middellandse Zeegebied is een fysisch-geografische macroregio.
a) Leg uit welke tektonische situatie in het Middellandse Zeegebied zorgt voor vulkanisme en aardbevingen. (1p)
b) Beschrijf het klimaat van het Middellandse Zeegebied en leg uit hoe de jaarlijkse verschuiving van luchtdruksystemen hiervoor verantwoordelijk is. (1p)
c) Leg uit waarom duurzaam watergebruik in dit gebied extra belangrijk is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) De aanwezigheid van meerdere microplaten (Adriatische, Egeische, Anatolische plaat) die op elkaar botsen, zorgt voor een complex tektonisch patroon met subductie, vulkanisme en aardbevingen (1p). b) Zomers: hoge luchtdruk (subtropische hogedrukgebied) = droog en warm. Winters: luchtdruksystemen verschuiven zuidwaarts, lage druk brengt neerslag (1p). c) Door het droge zomerseizoen is er een structureel watertekort; landbouw (irrigatie) en toerisme verhogen de vraag, terwijl klimaatverandering droogtes verergert (1p).
Vraag 9 (2p)
In het Middellandse Zeegebied beinvloeden mens en natuur elkaar wederzijds.
a) Leg uit hoe menselijk handelen in dit gebied leidt tot landdegradatie. (1p)
b) Leg uit wat hazard management inhoudt en noem een maatregel die de gevolgen van natuurrampen kan beperken. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Overbegrazing, ontbossing, intensieve irrigatie leiden tot bodemerosie, verzilting en verwoestijning (1p). b) Hazard management: maatregelen om de negatieve gevolgen van natuur- en milieurampen te beperken. Maatregel bijv.: seismisch bouwen (aardbevingsbestendig), waarschuwingssystemen (tsunami), ruimtelijke planning (niet bouwen in risicogebieden) (1p).