Oefenexamen VWO — Economie
Welvaart, groei & conjunctuur (H+I) — 10 vragen — ca. 26 punten
This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.
Oefenexamen VWO — Economie
Welvaart, groei & conjunctuur (H+I) — 10 vragen — ca. 26 punten
Vraag 1 (3p)
De macro-economische kringloop beschrijft de geldstromen in een economie.
a) Leg uit de bestedingscomponenten van het BBP: Y = C + I + O + (E - M). (1p)
b) Leg uit het verschil tussen het nominale BBP en het reele BBP. (1p)
c) Leg uit wat het verschil is tussen brede welvaart en het BBP als welvaartsmaatstaf. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Y (BBP) = C (consumptie gezinnen) + I (investeringen bedrijven) + O (overheidsbestedingen) + E (export) - M (import). Dit is de bestedingsbenadering (1p). b) Nominaal BBP: gemeten in lopende prijzen (niet gecorrigeerd voor inflatie). Reeel BBP: gecorrigeerd voor prijsstijgingen (in constante prijzen). Reeel BBP geeft de werkelijke productieverandering weer (1p). c) BBP meet alleen marktwaarde van productie. Brede welvaart omvat ook: milieukwaliteit, vrije tijd, verdeling, gezondheid, sociaal vertrouwen, toekomstige generaties (1p).
Vraag 2 (3p)
Economische groei wordt bepaald door de ontwikkeling van productiefactoren.
a) Noem de vier productiefactoren en leg uit hoe de arbeidsproductiviteit kan worden verhoogd. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen breedte-investeringen en diepte-investeringen. (1p)
c) Leg uit hoe de Phillipscurve het verband tussen werkloosheid en inflatie weergeeft. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Arbeid, kapitaal, natuur, ondernemerschap. Arbeidsproductiviteit verhogen via: scholing, technologische innovatie, diepte-investeringen, betere organisatie (1p). b) Breedte-investering: uitbreiding productiecapaciteit zonder productiviteitsstijging (meer van hetzelfde). Diepte-investering: vervanging door betere/efficiëntere kapitaalgoederen -> productiviteitsstijging (1p). c) Phillipscurve: negatief verband tussen werkloosheid en loonstijging/inflatie. Lage werkloosheid -> krapte arbeidsmarkt -> hogere lonen -> hogere prijzen. Hoge werkloosheid -> lage loondruk -> lage inflatie (1p).
Vraag 3 (2p)
De overheid herverdeelt inkomens via belastingen en uitkeringen.
a) Leg uit het verschil tussen een progressief en een degressief belastingstelsel. (1p)
b) Leg uit wat de belastingwig is en welk effect deze heeft op de arbeidsmarkt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Progressief: gemiddeld tarief stijgt met inkomen (hogere inkomens betalen relatief meer). Degressief: gemiddeld tarief daalt met inkomen. Vlaktaks: 1 marginaal tarief voor iedereen (1p). b) Belastingwig: verschil tussen bruto loonkosten voor werkgever en netto loon voor werknemer (belasting + premies ertussen). Grotere wig -> arbeid duurder voor werkgever, minder aantrekkelijk voor werknemer -> kan leiden tot minder werkgelegenheid (1p).
Vraag 4 (2p)
Bekijk de afbeelding van een containerschip.
De inkomensverdeling wordt gemeten met de Lorenz-curve.
a) Leg uit wat de Lorenz-curve en de Gini-coefficient meten. (1p)
b) Leg uit hoe de overheid de secundaire inkomensverdeling beinvloedt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Lorenz-curve: grafische weergave van de inkomensverdeling; afwijking van 45-gradenlijn toont ongelijkheid. Gini: getal 0-1, hoe hoger hoe ongelijker (oppervlakte tussen Lorenz-curve en gelijkheidslijn) (1p). b) Via progressieve belastingen (hogere inkomens meer belasting) en uitkeringen (bijstand, AOW, toeslagen) herverdeelt de overheid van hoge naar lage inkomens -> secundaire verdeling gelijker dan primaire (1p).
Vraag 5 (3p)
De conjunctuur beschrijft schommelingen in de economische activiteit.
a) Leg uit het verschil tussen de feitelijke productie en de potentiele productie. (1p)
b) Leg uit wat een output gap is en hoe deze samenhangt met inflatie. (1p)
c) Leg uit het verschil tussen conjuncturele werkloosheid en structurele werkloosheid. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Feitelijke productie: het werkelijke BBP. Potentiele productie: het BBP bij volledige bezetting van productiefactoren (structurele groei/trendlijn) (1p). b) Positieve output gap: feitelijke productie > potentiele -> overbesteding -> inflatiedruk. Negatieve output gap: feitelijke < potentiele -> onderbesteding -> werkloosheid (1p). c) Conjunctureel: werkloosheid door te weinig vraag naar producten (tijdelijk, verdwijnt bij herstel). Structureel: werkloosheid door mismatch (opleiding, regio), technologische verandering, te hoge lonen (langdurig) (1p).
Vraag 6 (3p)
Bekijk de afbeelding van een containerschip.
De overheid kan budgettair beleid voeren.
a) Leg uit het verschil tussen anticyclisch en procyclisch begrotingsbeleid. (1p)
b) Leg uit hoe automatische stabilisatoren werken. (1p)
c) Leg uit wat het multipliereffect inhoudt en waarom de multiplier in een open economie kleiner is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Anticyclisch: overheid stemt beleid af op de conjunctuur (bij recessie stimuleren, bij hoogconjunctuur afremmen). Procyclisch: beleid versterkt de conjunctuurbeweging (bezuinigen bij recessie) (1p). b) Automatische stabilisatoren: ingebouwde mechanismen die zonder actief beleid de conjunctuur dempen. Bijv. progressieve belasting (bij groei meer belasting -> remt bestedingen) en uitkeringen (bij recessie meer uitkeringen -> ondersteunt bestedingen) (1p). c) Multiplier: extra besteding leidt tot meer dan evenredige stijging BBP (kettingreactie van bestedingen). In open economie: deel van extra besteding lekt weg via import -> multiplier kleiner (1p).
Vraag 7 (3p)
De ECB voert het monetaire beleid in de eurozone.
a) Leg uit wat de doelstelling van de ECB is en welk instrument zij primair inzet. (1p)
b) Leg uit hoe een renteverlaging de bestedingen stimuleert. (1p)
c) Leg uit wat de IS-MP benadering inhoudt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Doelstelling: prijsstabiliteit (inflatie rond 2%). Primair instrument: de beleidsrente (rente waartegen banken bij de ECB kunnen lenen) (1p). b) Lagere rente -> lenen goedkoper, sparen minder aantrekkelijk -> C en I stijgen -> meer bestedingen -> productie en werkgelegenheid stijgen. Maar ook: lagere rente -> euro daalt -> export stijgt (1p). c) IS-curve: combinaties van rente en inkomen waarbij de goederenmarkt in evenwicht is (bestedingen = productie). MP-curve: monetaire beleidsregel van de centrale bank (hoe de CB de rente aanpast aan inflatie/conjunctuur). Snijpunt IS-MP geeft het macro-economisch evenwicht (1p).
Vraag 8 (2p)
Inflatie is een belangrijk macro-economisch verschijnsel.
a) Leg uit het verschil tussen bestedingsinflatie en kosteninflatie. (1p)
b) Leg uit hoe de loon-prijsspiraal werkt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Bestedingsinflatie: vraag > aanbod (overbesteding) -> prijzen stijgen. Kosteninflatie: stijgende productiekosten (grondstoffen, lonen) worden doorberekend in prijzen (1p). b) Stijgende prijzen -> werknemers eisen loonsverhoging (prijscompensatie) -> hogere loonkosten -> producenten verhogen prijzen -> opnieuw looneisen -> spiraal (1p).
Vraag 9 (2p)
Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
De EMU (Europese Monetaire Unie) heeft voor- en nadelen.
a) Noem twee voordelen van de muntunie (euro) voor de deelnemende landen. (1p)
b) Noem twee nadelen van de muntunie. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: geen wisselkoersrisico binnen eurozone, lagere transactiekosten, prijstransparantie, financiele stabiliteit, grotere interne markt (1p). b) Twee uit: landen kunnen niet meer devalueren om concurrentie te herstellen, monetair beleid 'one size fits all' (rente niet afgestemd op individueel land), conjunctuurverschillen worden versterkt, risico van besmetting bij schuldencrisis (1p).
Vraag 10 (2p)
De wisselkoers beinvloedt de internationale concurrentiepositie.
a) Leg uit hoe een depreciatie van de euro de Nederlandse export beinvloedt. (1p)
b) Leg uit waarom een land in een muntunie geen wisselkoersbeleid meer kan voeren en welk alternatief er overblijft. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Depreciatie euro: Nederlandse producten worden goedkoper in buitenlandse valuta -> export stijgt (mits prijselasticiteit voldoende hoog). Import wordt duurder -> importsubstitutie (1p). b) In een muntunie bepaalt de ECB het monetaire beleid; individuele landen kunnen de wisselkoers niet meer aanpassen. Alternatief: interne devaluatie (loonmatiging, productiviteitsverhoging) om de concurrentiepositie te verbeteren (1p).