Oefenexamen HAVO — Biologie
Molecuul- en celniveau (M) — 10 vragen — ca. 22 punten
This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.
Oefenexamen HAVO — Biologie
Molecuul- en celniveau (M) — 10 vragen — ca. 22 punten
Vraag 1 (2p)
Bekijk de afbeelding van een DNA-molecuul.
DNA en RNA zijn nucleinezuren met een verschillende bouw.
a) Noem twee structurele verschillen tussen DNA en RNA. (1p)
b) Beschrijf de functies van mRNA, tRNA en rRNA bij de eiwitsynthese. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) DNA is dubbelstrengs / RNA enkelstrengs. DNA bevat deoxyribose / RNA ribose. DNA bevat thymine / RNA uracil (1p voor twee verschillen). b) mRNA: kopie van gen, brengt info naar ribosoom. tRNA: transporteert aminozuren. rRNA: onderdeel ribosoom (1p).
Vraag 2 (2p)
Bekijk de afbeelding van een DNA-molecuul.
Bij de eiwitsynthese worden eiwitten gevormd op basis van de genetische code.
a) Beschrijf het proces van transcriptie. (1p)
b) Leg uit hoe de aminozuurvolgorde de uiteindelijke functie van een eiwit bepaalt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Transcriptie: DNA wordt afgelezen in de kern, er wordt een mRNA-kopie gemaakt van een gen (template/matrijsstreng wordt afgelezen) (1p). b) De aminozuurvolgorde (primaire structuur) bepaalt hoe het eiwit vouwt (3D-vorm); de vorm bepaalt de functie (enzym, receptor, structuureiwit) (1p).
Vraag 3 (2p)
Bekijk de afbeelding van cellen onder een microscoop.
Een eukaryote cel bevat veel verschillende organellen.
a) Noem drie celorganellen en geef van elk de functie. (1p)
b) Leg uit hoe het principe van terugkoppeling bijdraagt aan homeostase in de cel. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Drie uit: celkern (erfelijke informatie), mitochondrie (dissimilatie/ATP), chloroplast (fotosynthese), ER (eiwittransport), ribosoom (eiwitsynthese) (1p). b) Terugkoppeling: het product van een proces remt of stimuleert dat proces (negatieve/positieve terugkoppeling), waardoor de cel een dynamisch evenwicht handhaaft (1p).
Vraag 4 (2p)
Transport door de celmembraan is essentieel voor het functioneren van cellen.
a) Leg uit het verschil tussen actief en passief transport. (1p)
b) Leg uit wat osmose is en wat er gebeurt als je een rode bloedcel in gedestilleerd water legt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Passief: transport met de concentratiegradient mee, zonder energie (diffusie, osmose). Actief: transport tegen de concentratiegradient in, kost ATP (ionenpompen) (1p). b) Osmose: water verplaatst zich door een semipermeabel membraan van lage naar hoge osmotische waarde. In gedestilleerd water: de cel neemt water op en zwelt op (kan barsten) (1p).
Vraag 5 (3p)
Bekijk de afbeelding van een plant.
Assimilatie en dissimilatie zijn twee centrale processen in de stofwisseling.
a) Beschrijf hoe fotosynthese verloopt. Noem de stoffen die nodig zijn en die worden gemaakt. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen aerobe en anaerobe dissimilatie. (1p)
c) Leg uit hoe enzymen werken en wat denaturatie inhoudt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Fotosynthese: CO2 + H2O -> glucose + O2 (met lichtenergie). Vindt plaats in chloroplasten (1p). b) Aeroob: volledige afbraak glucose met O2, levert veel ATP + CO2 + H2O. Anaeroob: onvolledige afbraak zonder O2, levert weinig ATP + alcohol/melkzuur (1p). c) Enzymen katalyseren reacties door hun 3D-vorm (sleutel-slotmodel). Bij te hoge temperatuur of verkeerde pH verandert de vorm -> denaturatie, enzym werkt niet meer (1p).
Vraag 6 (2p)
Bij eukaryoten is genexpressie een complex proces.
a) Beschrijf de relatie tussen DNA, RNA en eiwit. (1p)
b) Leg uit waarom verschillende celtypen verschillende eiwitten maken, hoewel ze hetzelfde DNA bevatten. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) DNA bevat de genetische code -> wordt afgelezen tot mRNA (transcriptie) -> mRNA wordt vertaald in een aminozuurketen/eiwit (translatie) (1p). b) Door genregulatie worden in verschillende celtypen verschillende genen aan- of uitgeschakeld (celdifferentiatie). Alleen de relevante genen worden tot expressie gebracht (1p).
Vraag 7 (2p)
Stamcellen hebben bijzondere eigenschappen.
a) Leg uit wat een stamcel onderscheidt van een gedifferentieerde cel. (1p)
b) Leg uit wat apoptose is en waarom dit belangrijk is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Stamcellen kunnen zich onbeperkt delen en differentiëren tot verschillende celtypen; gedifferentieerde cellen hebben een specifieke functie en delen zich meestal niet meer (1p). b) Apoptose: geprogrammeerde celdood. Belangrijk voor ontwikkeling (verwijdering overbodige cellen) en bescherming (verwijdering beschadigde cellen). Verstoring kan leiden tot kanker (1p).
Vraag 8 (2p)
Bekijk de afbeelding van een DNA-molecuul.
Erfelijke eigenschappen worden bepaald door genotype en milieufactoren.
a) Leg uit het verschil tussen genotype en fenotype. (1p)
b) Bij een kruising Aa x Aa: welk percentage nakomelingen heeft het recessieve fenotype? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Genotype: de genetische samenstelling (allelen). Fenotype: het waarneembare kenmerk, bepaald door genotype + milieufactoren (1p). b) 25% (1 op 4 is aa -> recessief fenotype) (1p).
Vraag 9 (2p)
Mutaties en recombinatie zijn bronnen van genetische variatie.
a) Noem twee typen mutaties en leg uit hoe een mutatie het fenotype kan beinvloeden. (1p)
b) Leg uit hoe bij meiose nieuwe combinaties van allelen ontstaan. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Typen: puntmutatie, deletie, insertie. Een mutatie verandert de basenvolgorde -> kan leiden tot een ander eiwit -> kan het fenotype veranderen (1p). b) Bij meiose worden homologe chromosomen willekeurig verdeeld over de dochtercellen. Hierdoor ontstaan geslachtscellen met unieke combinaties van allelen (recombinatie) (1p).
Vraag 10 (3p)
Bekijk de afbeelding van cellen onder een microscoop.
Cellen communiceren met elkaar via signaalstof en receptoren.
a) Beschrijf hoe signaaloverdracht via een synaps verloopt. (1p)
b) Leg uit het verschil in werking tussen een steroidhormoon en een peptidehormoon. (1p)
c) Leg uit waarom X-chromosomale aandoeningen vaker bij mannen voorkomen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Actiepotentiaal bereikt synapsknop -> neurotransmitter wordt vrijgemaakt in synaptische spleet -> bindt aan receptor op postsynaptische cel -> respons (1p). b) Steroid: vetoplosbaar, passeert celmembraan, bindt receptor in cel, beinvloedt genexpressie direct. Peptide: wateroplosbaar, bindt receptor in celmembraan, werkt via signaalcascade (1p). c) Het gen ligt op het X-chromosoom. Mannen (XY) hebben maar een X; een recessief allel komt altijd tot uiting. Vrouwen (XX) kunnen drager zijn zonder het kenmerk te tonen (1p).