Oefenexamen VMBO — Biologie (GT)
Cellen, planten & ecosystemen — 10 vragen — ca. 20 punten
Lesson by LessonUp Examentraining
This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.
Oefenexamen VMBO — Biologie (GT)
Cellen, planten & ecosystemen — 10 vragen — ca. 20 punten
Vraag 1 (2p)
Bekijk de afbeelding van cellen onder een microscoop.
Alle levende organismen hebben levenskenmerken.
a) Noem vier levenskenmerken. (1p)
b) Leg uit waarom een auto geen levend organisme is, ook al 'eet' hij brandstof en 'ademt' hij uit. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Vier uit: stofwisseling (ademhaling, voeding, uitscheiding), groei (ontwikkeling), voortplanting, reageren op prikkels (beweging) (1p). b) Een auto plant zich niet voort en groeit niet; hij reageert niet zelfstandig op prikkels. Levenskenmerken moeten allemaal aanwezig zijn (1p).
Vraag 2 (2p)
Bekijk de afbeelding van cellen onder een microscoop.
Een cel is de kleinste eenheid van leven.
a) Noem drie onderdelen van een plantencel en geef van elk de functie. (1p)
b) Noem twee verschillen tussen een dierlijke cel en een plantencel. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Drie uit: celkern (erfelijke informatie), cytoplasma (celprocessen), celmembraan (regelt transport), vacuole (opslag), celwand (stevigheid), bladgroenkorrels (fotosynthese) (1p). b) Twee uit: plantencel heeft celwand (diercel niet), plantencel heeft bladgroenkorrels (diercel niet), plantencel heeft grote vacuole (1p).
Vraag 3 (2p)
Bekijk de afbeelding van een plant.
Fotosynthese en verbranding zijn twee belangrijke processen in een organisme.
a) Beschrijf wat er bij fotosynthese gebeurt. Noem de stoffen die nodig zijn en de stoffen die worden gemaakt. (1p)
b) Beschrijf wat er bij verbranding (dissimilatie) gebeurt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Bij fotosynthese wordt met behulp van lichtenergie koolstofdioxide (CO2) en water (H2O) omgezet in glucose en zuurstof (O2). Dit gebeurt in de bladgroenkorrels (1p). b) Bij verbranding wordt glucose met behulp van zuurstof afgebroken tot koolstofdioxide en water. Hierbij komt energie vrij (1p).
Vraag 4 (2p)
Bekijk de afbeelding van een plant.
Planten zijn opgebouwd uit verschillende delen.
a) Noem vier delen van een zaadplant en beschrijf van elk de functie. (1p)
b) Welke delen van een plant kunnen als voedingsmiddel voor de mens dienen? Noem twee voorbeelden. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Vier uit: wortel (water en mineralen opnemen, stevigheid), stengel (transport, stevigheid), blad (fotosynthese), bloem (voortplanting), vrucht (bescherming zaden) (1p). b) Twee uit: wortel (wortel), stengel (asperge), blad (sla), vrucht (appel), zaad (tarwe), knol (aardappel) (1p).
Vraag 5 (2p)
Bloemen spelen een belangrijke rol bij de voortplanting van planten.
a) Noem de mannelijke en vrouwelijke delen van een bloem. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen windbestuiving en insectenbestuiving. Noem bij elk een kenmerk van de bloem. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Mannelijk: meeldraden (met stuifmeel/pollen). Vrouwelijk: stamper (met stempel, stijl en vruchtbeginsel) (1p). b) Windbestuiving: kleine bloemen, veel licht stuifmeel, geen nectar/geur. Insectenbestuiving: kleurrijke bloemen, nectar, geur, plakkerig stuifmeel (1p).
Vraag 6 (2p)
Dieren zijn op verschillende manieren aangepast aan hun leefomgeving.
a) Noem drie verschillende organen waarmee dieren zuurstof opnemen. Geef bij elk een diergroep. (1p)
b) Leg uit het verband tussen het gebit van een dier en zijn voedsel. Noem een voorbeeld. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Tracheen (insecten), kieuwen (vissen), longen (zoogdieren/vogels/reptielen). Bij amfibieen ook huid (1p). b) Plooikiezen = planteneters (malen), knipkiezen = vleeseters (snijden), knobbelkiezen = alleseters. Bijv. koe heeft plooikiezen voor het vermalen van gras (1p).
Vraag 7 (2p)
Bekijk de afbeelding van een bosecosysteem.
In een ecosysteem zijn er voedselrelaties tussen organismen.
a) Leg uit wat een voedselketen is. Noem de drie groepen organismen die erin voorkomen. (1p)
b) Leg uit wat het verschil is tussen een producent en een reducent. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Een voedselketen beschrijft hoe voedsel (energie) wordt doorgegeven van het ene organisme naar het andere. Groepen: producenten (planten), consumenten (dieren), reducenten (schimmels, bacterien) (1p). b) Producenten maken zelf energierijke stoffen via fotosynthese. Reducenten breken dood materiaal af tot eenvoudige stoffen die planten weer kunnen opnemen (1p).
Vraag 8 (2p)
Bekijk de afbeelding van een bosecosysteem.
In een ecosysteem spelen biotische en abiotische factoren een rol.
a) Noem twee biotische en twee abiotische factoren. (1p)
b) Leg uit hoe een verandering in een abiotische factor invloed kan hebben op een populatie. Geef een voorbeeld. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Biotisch: andere organismen (voedsel, vijanden, concurrenten). Abiotisch: temperatuur, licht, water, bodem (1p). b) Bijv. bij droogte (abiotisch) groeit er minder gras -> minder voedsel voor konijnen -> populatie krimpt (1p).
Vraag 9 (2p)
De koolstofkringloop beschrijft hoe koolstof door een ecosysteem stroomt.
a) Leg uit welke rol fotosynthese speelt in de koolstofkringloop. (1p)
b) Leg uit welke rol verbranding en verrotting spelen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Bij fotosynthese nemen planten CO2 op uit de lucht en bouwen dit in in glucose (koolstof wordt vastgelegd) (1p). b) Bij verbranding (door organismen) en verrotting (door reducenten) wordt glucose afgebroken en komt CO2 weer vrij in de lucht (1p).
Vraag 10 (2p)
Dieren hebben verschillende soorten poten, afhankelijk van hun leefomgeving.
a) Noem het verschil tussen een teengang, een hoefganger en een zoolgang. Geef bij elk een voorbeeld. (1p)
b) Leg uit waarom watervogels zwemvliezen hebben. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Teengangers lopen op hun tenen (hond). Hoefgangers lopen op de punt van hun tenen/hoeven (paard). Zoolgangers lopen op de hele voetzool (mens, beer) (1p). b) Zwemvliezen vergroten het oppervlak van de poten, waardoor de vogel meer water kan wegduwen en beter kan zwemmen (1p).