LessonUp Examentraining
Oefenexamens voor jouw leerlingen!

Oefenexamen VMBO - Voortplanting, erfelijkheid & afweer

Oefenexamen VMBO — Biologie (GT)

Voortplanting, erfelijkheid & afweer — 10 vragen — ca. 20 punten


1 / 11
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolvmbo, mavoLeerjaar 3,4

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.

Introduction

Deel dit oefenexamen met je leerlingen, zodat ze zich goed kunnen voorbereiden op hun examen. Delen van deze les gaat via de knop 'Delen'. Kies vervolgens voor 'Studenten (link)'. Hiermee hebben de leerlingen ook thuis de volledige interactie.

Items in this lesson

Oefenexamen VMBO — Biologie (GT)

Voortplanting, erfelijkheid & afweer — 10 vragen — ca. 20 punten


Vraag 1 (2p)

Het voortplantingsstelsel van de mens bestaat uit mannelijke en vrouwelijke organen.
a) Noem drie delen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel en beschrijf hun functie. (1p)
b) Noem drie delen van het mannelijke voortplantingsstelsel. (1p)

Vraag 2 (2p)

De menstruatiecyclus duurt gemiddeld 28 dagen.
a) Beschrijf wat er bij de ovulatie (eisprong) gebeurt. (1p)
b) Leg uit waarom het baarmoederslijmvlies elke cyclus wordt opgebouwd en weer afgebroken. (1p)

Vraag 3 (2p)

Bij een zwangerschap nestelt de bevruchte eicel zich in de baarmoederwand.
a) Beschrijf de weg van de zaadcel tot de bevruchting. (1p)
b) Noem twee functies van de placenta (moederkoek). (1p)

Vraag 4 (2p)

Voorbehoedmiddelen voorkomen een zwangerschap.
a) Noem drie voorbehoedmiddelen en leg bij elk uit hoe het werkt. (1p)
b) Welk voorbehoedmiddel beschermt ook tegen seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's)? (1p)

Vraag 5 (2p)

Bekijk de afbeelding van DNA.
Erfelijke eigenschappen worden doorgegeven via chromosomen.
a) Leg uit de relatie tussen chromosomen, genen en DNA. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen een lichaamscel en een geslachtscel wat betreft het aantal chromosomen. (1p)

Vraag 6 (2p)

Bekijk de afbeelding van DNA.
Sommige eigenschappen zijn dominant, andere recessief.
a) Leg uit wat het verschil is tussen een dominant en een recessief gen. (1p)
b) Bij een kruising Aa x Aa: welk percentage van de nakomelingen heeft het recessieve fenotype? (1p)

Vraag 7 (2p)

Het geslacht wordt bepaald door de geslachtschromosomen.
a) Leg uit hoe het geslacht bij de mens wordt bepaald. (1p)
b) Waarom is de kans op een jongen en een meisje bij elke bevruchting 50/50? (1p)

Vraag 8 (2p)

Mutaties en selectie spelen een rol bij de evolutie.
a) Leg uit wat een mutatie is en noem een factor die mutaties kan veroorzaken. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen natuurlijke selectie en kunstmatige selectie. (1p)

Vraag 9 (2p)

Het lichaam beschermt zich tegen ziekteverwekkers met antistoffen.
a) Leg uit het verschil tussen actieve en passieve immuniteit. (1p)
b) Leg uit hoe vaccinatie werkt. (1p)

Vraag 10 (2p)

Gedrag bij mens en dier kan aangeboren of aangeleerd zijn.
a) Leg uit het verschil tussen aangeboren en aangeleerd gedrag. Geef bij elk een voorbeeld. (1p)
b) Leg uit wat inprenten inhoudt. (1p)