Oefenexamen VWO — Economie
Ruilen over de tijd & samenwerken (E+F) — 10 vragen — ca. 24 punten
This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.
Oefenexamen VWO — Economie
Ruilen over de tijd & samenwerken (E+F) — 10 vragen — ca. 24 punten
Vraag 1 (3p)
Gezinnen, bedrijven en de overheid ruilen over de tijd.
a) Leg uit hoe de levenscyclushypothese het spaar- en leengedrag van gezinnen verklaart. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen de contante waarde en de toekomstige waarde van geld. (1p)
c) Bereken de contante waarde van 1100 euro over een jaar bij een rente van 10%. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Levenscyclushypothese: mensen spreiden hun consumptie over hun leven. Jong: lenen (studie, huis). Middelbaar: sparen (aflossen, pensioen). Oud: ontsparen. Doel: stabiel consumptieniveau (1p). b) Contante waarde: de waarde nu van een toekomstig bedrag (hoeveel is een toekomstige euro nu waard). Toekomstige waarde: de waarde in de toekomst van een bedrag nu (met rente) (1p). c) CW = 1100 / 1,10 = 1000 euro (1p).
Vraag 2 (2p)
De rente speelt een centrale rol bij intertemporele ruil.
a) Leg uit waarom de reele rente relevanter is dan de nominale rente voor economische beslissingen. (1p)
b) Leg uit hoe de rente de keuze tussen sparen en consumeren beinvloedt. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) De reele rente (nominaal - inflatie) geeft de werkelijke koopkrachtverandering weer. Bij hoge inflatie kan de nominale rente positief zijn terwijl de reele rente negatief is -> spaarder verliest koopkracht (1p). b) Hogere rente -> sparen wordt aantrekkelijker (meer opbrengst) en lenen duurder -> substitutie-effect: meer sparen, minder consumeren nu. Maar ook inkomenseffect: wie al spaart, hoeft minder te sparen voor hetzelfde doel (1p).
Vraag 3 (2p)
De overheid leent geld op de kapitaalmarkt.
a) Leg uit het verschil tussen het begrotingssaldo en de staatsschuld. (1p)
b) Leg uit de eisen van het Stabiliteits- en Groeipact van de EU. Waarom bestaan deze regels? (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Begrotingssaldo: verschil tussen overheidsinkomsten en -uitgaven in een jaar (stroom). Staatsschuld: totale opgebouwde schuld van de overheid (voorraad). Een tekort vergroot de staatsschuld (1p). b) Eisen: begrotingstekort max 3% BBP, staatsschuld max 60% BBP. Deze regels bestaan om financiele stabiliteit in de eurozone te waarborgen en te voorkomen dat landen te veel schulden maken (1p).
Vraag 4 (2p)
Pensioenen zijn een vorm van intertemporele ruil.
a) Leg uit het verschil tussen het omslagstelsel en het kapitaaldekkingsstelsel. (1p)
b) Leg uit waarom vergrijzing een probleem is voor het omslagstelsel. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Omslagstelsel: werkenden betalen nu voor de uitkeringen van gepensioneerden (AOW). Kapitaaldekkingsstelsel: iedereen spaart voor zijn eigen pensioen via een pensioenfonds (premie wordt belegd) (1p). b) Bij vergrijzing zijn er minder werkenden per gepensioneerde -> de premielast per werkende stijgt, of de uitkering moet dalen, of de pensioenleeftijd moet omhoog (1p).
Vraag 5 (3p)
Bij samenwerking spelen strategische overwegingen een rol.
a) Leg uit wat het gevangenendilemma is en waarom de dominante strategie niet het optimale resultaat oplevert. (1p)
b) Leg uit wat het Coase-theorema inhoudt. (1p)
c) Leg uit onder welke voorwaarden het Coase-theorema werkt en wanneer overheidsingrijpen nodig is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 3 a) Gevangenendilemma: twee spelers hebben elk een dominante strategie (niet-samenwerken), maar het gezamenlijke resultaat is suboptimaal. Als beide zouden samenwerken, zouden ze er beter van worden (Nash-evenwicht is niet Pareto-optimaal) (1p). b) Coase-theorema: als eigendomsrechten helder zijn en transactiekosten laag, kunnen partijen onderling een efficiente oplossing bereiken voor externe effecten, zonder overheidsingrijpen (1p). c) Het werkt alleen bij lage transactiekosten en heldere eigendomsrechten. Bij hoge transactiekosten (veel betrokkenen, onduidelijke rechten) is overheidsingrijpen nodig (heffing, regulering) (1p).
Vraag 6 (2p)
Meeliftersgedrag is een probleem bij collectieve actie.
a) Leg uit hoe het gevangenendilemma het meeliftersprobleem bij collectieve goederen verklaart. (1p)
b) Noem twee oplossingen voor het meeliftersprobleem. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Elk individu heeft een prikkel om niet bij te dragen (dominante strategie), maar te profiteren van bijdragen van anderen. Als iedereen zo denkt, wordt het collectieve goed niet geleverd (suboptimaal Nash-evenwicht) (1p). b) Twee uit: overheid die via belastingen iedereen laat meebetalen (dwang), contracten/sancties, sociale normen, zelfbinding (1p).
Vraag 7 (2p)
Externe effecten kunnen worden geinternaliseerd.
a) Leg uit wat internaliseren van externe effecten inhoudt. (1p)
b) Leg uit hoe een heffing een negatief extern effect kan internaliseren. Gebruik een grafiek-beschrijving. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Internaliseren: de externe kosten of baten worden opgenomen in de prijs van het product, zodat de marktuitkomst dichter bij het maatschappelijke optimum komt (1p). b) Een heffing verhoogt de private kosten tot het niveau van de maatschappelijke kosten. De aanbodcurve verschuift omhoog -> de prijs stijgt en de productie daalt tot het maatschappelijk optimale niveau. Het welvaartsverlies wordt opgeheven (1p).
Vraag 8 (2p)
Bekijk de afbeelding van een containerschip.
Op de arbeidsmarkt onderhandelen werkgevers en werknemers.
a) Leg uit hoe cao-onderhandelingen kunnen worden geanalyseerd als een onderhandelingsspel. (1p)
b) Leg uit waarom het resultaat van een cao-onderhandeling afhangt van de machtsverhoudingen tussen partijen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Beide partijen (vakbond en werkgevers) hebben belangen die deels conflicteren (loon) en deels samenvallen (continuiteit bedrijf). Ze onderhandelen over de verdeling van het surplus; de uitkomst hangt af van de fallback-positie (1p). b) De partij met de beste fallback-positie (alternatief als de onderhandeling mislukt) heeft meer macht. Bijv. bij hoge werkloosheid is de fallback voor werknemers slecht -> werkgever heeft meer macht -> lager loon (1p).
Vraag 9 (2p)
De overheid speelt een rol als arbiter en regelgever.
a) Leg uit waarom de overheid minimumloon instelt, hoewel dit kan leiden tot werkloosheid. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen een merit good en een demerit good. Geef bij elk een voorbeeld. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) De overheid acht het onwenselijk dat werknemers onder een bepaald niveau worden betaald (paternalisme, rechtvaardigheid). De samenleving vindt een minimuminkomen belangrijker dan het efficiencieverlies door eventuele werkloosheid (1p). b) Merit good: goed dat de overheid stimuleert omdat consumenten het belang onderschatten (bijv. onderwijs, inentingen). Demerit good: goed dat de overheid ontmoedigt (bijv. tabak, alcohol, drugs) (1p).
Vraag 10 (2p)
Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
Herhaalde interactie kan samenwerking bevorderen.
a) Leg uit waarom in een herhaald gevangenendilemma samenwerking eerder ontstaat dan in een eenmalig spel. (1p)
b) Leg uit wat de rol is van reputatie en sancties bij het in stand houden van samenwerking. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Bij herhaling kunnen spelers dreigen met vergelding ('tit for tat'): als je nu niet samenwerkt, werk ik volgende ronde ook niet samen. De toekomstige voordelen van samenwerking wegen zwaarder dan het eenmalige voordeel van niet-samenwerken (1p). b) Reputatie: een partij die bekend staat als betrouwbaar krijgt meer samenwerkingsaanbiedingen. Sancties: straffen voor niet-samenwerken (boetes, uitsluiting) maken de dominante strategie van niet-samenwerken minder aantrekkelijk (1p).