LessonUp Examentraining
Oefenexamens voor jouw leerlingen!

Oefenexamen VMBO - Staatsinrichting & 1848-1914

Oefenexamen VMBO — Geschiedenis (GT)

Staatsinrichting & 1848-1914 — 10 vragen — ca. 20 punten


1 / 11
next
Slide 1: Slide
New lesson editorGeschiedenisMiddelbare schoolvmbo, mavoLeerjaar 3,4

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.

Introduction

Deel dit oefenexamen met je leerlingen, zodat ze zich goed kunnen voorbereiden op hun examen. Delen van deze les gaat via de knop 'Delen'. Kies vervolgens voor 'Studenten (link)'. Hiermee hebben de leerlingen ook thuis de volledige interactie.

Items in this lesson

Oefenexamen VMBO — Geschiedenis (GT)

Staatsinrichting & 1848-1914 — 10 vragen — ca. 20 punten


Vraag 1 (2p)

Nederland is een constitutionele monarchie.
a) Leg uit het verschil tussen een monarchie en een republiek. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen een democratie en een dictatuur. (1p)

Vraag 2 (2p)

In 1848 werd de Grondwet ingrijpend herzien door Thorbecke.
a) Noem twee veranderingen die de Grondwet van 1848 bracht. (1p)
b) Leg uit wat ministeriele verantwoordelijkheid betekent. (1p)

Vraag 3 (2p)

De Nederlandse staatsinrichting kent de scheiding der machten (trias politica).
a) Noem de drie machten en beschrijf wie ze uitoefent in Nederland. (1p)
b) Beschrijf de belangrijkste stappen van een wetsvoorstel tot wet. (1p)

Vraag 4 (2p)

In de Grondwet staan grondrechten.
a) Leg uit het verschil tussen klassieke grondrechten en sociale grondrechten. Noem bij elk een voorbeeld. (1p)
b) Noem een voorbeeld van twee grondrechten die met elkaar op gespannen voet kunnen staan. (1p)

Vraag 5 (2p)

In de tweede helft van de 19e eeuw veranderde Nederland door de industrialisatie.
a) Noem twee gevolgen van de industrialisatie voor de arbeiders. (1p)
b) Leg uit wat de 'sociale kwestie' inhield. (1p)

Vraag 6 (2p)

Aan het eind van de 19e eeuw ontstonden politieke stromingen.
a) Noem vier politieke stromingen die opkwamen en beschrijf kort waarvoor zij stonden. (1p)
b) Leg uit hoe de emancipatie van deze groepen leidde tot verzuiling. (1p)

Vraag 7 (2p)

Het Kinderwetje van Van Houten (1874) was de eerste sociale wet.
a) Wat verbood het Kinderwetje? (1p)
b) Noem een andere sociale wet uit deze periode. (1p)

Vraag 8 (2p)

Het kiesrecht werd geleidelijk uitgebreid.
a) Leg uit wat censuskiesrecht inhield. (1p)
b) In welk jaar kregen alle mannen kiesrecht? (1p)

Vraag 9 (2p)

Noem de volgende personen en plaats ze in de juiste tijd.
a) Wie was Rudolf Thorbecke en wat was zijn belangrijkste bijdrage? (1p)
b) Wie was Abraham Kuyper en voor welke groep kwam hij op? (1p)

Vraag 10 (2p)

Noem twee andere personen uit de periode 1848-1914 en leg uit waarom zij belangrijk waren.