Oefenexamen VMBO — Economie (GT)
Internationale ontwikkelingen — 10 vragen — ca. 20 punten
This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.
Oefenexamen VMBO — Economie (GT)
Internationale ontwikkelingen — 10 vragen — ca. 20 punten
Vraag 1 (2p)
Bekijk de afbeelding van een containerschip.
Nederland is een open economie.
a) Leg uit wat een open economie betekent. (1p)
b) Noem twee redenen waarom Nederland afhankelijk is van het buitenland. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Een open economie: een land dat veel importeert en exporteert; de economie is sterk afhankelijk van buitenlandse handel (1p). b) Twee uit: Nederland importeert grondstoffen die het zelf niet heeft, exporteert veel producten (bloemen, voedsel, machines), buitenlandse bedrijven bieden werkgelegenheid, NL is een doorvoerland (Rotterdam) (1p).
Vraag 2 (2p)
Bekijk de afbeelding van een containerschip.
Landen handelen met elkaar.
a) Leg uit het verschil tussen import en export. (1p)
b) Leg uit waarom landen met elkaar handelen. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Import: goederen/diensten kopen uit het buitenland. Export: goederen/diensten verkopen aan het buitenland (1p). b) Landen specialiseren zich in producten die ze goed en goedkoop kunnen maken (natuurlijke omstandigheden, kennis, arbeidskrachten). Door te handelen kan elk land profiteren van de specialisatie van andere landen (1p).
Vraag 3 (2p)
Sommige landen proberen hun eigen economie te beschermen.
a) Leg uit wat protectionisme inhoudt. (1p)
b) Noem twee maatregelen van protectionisme. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Protectionisme: maatregelen van een overheid om de eigen economie te beschermen tegen buitenlandse concurrentie (1p). b) Twee uit: invoerrechten (heffingen op import), invoerquota (maximale hoeveelheid import), invoerverboden, subsidies voor eigen bedrijven (1p).
Vraag 4 (2p)
Nederland is lid van de Europese Unie.
a) Noem twee voordelen van de EU voor Nederland. (1p)
b) Noem een nadeel van de EU voor Nederland. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: vrij verkeer van goederen/personen/diensten, geen invoerrechten binnen de EU, gemeenschappelijke munt (euro), grotere afzetmarkt, politieke samenwerking (1p). b) Bijv. verlies van nationale soevereiniteit, concurrentie van goedkopere arbeid uit andere EU-landen, bijdrage aan EU-budget, Europese regels die niet altijd in NL-belang zijn (1p).
Vraag 5 (2p)
De euro is de gemeenschappelijke munt in de eurozone.
a) Noem een voordeel van de euro voor bedrijven die handelen binnen de EU. (1p)
b) Noem een nadeel van de euro. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Geen wisselkoersrisico meer / geen kosten voor het omwisselen van geld / makkelijker prijzen vergelijken (1p). b) Bijv. landen kunnen niet meer zelfstandig hun munt devalueren om de export te stimuleren / het ene land kan in problemen komen en andere landen moeten meebetalen (1p).
Vraag 6 (2p)
Er bestaan grote welvaartsverschillen in de wereld.
a) Leg uit het verschil tussen een ontwikkeld land en een ontwikkelingsland. Noem twee kenmerken. (1p)
b) Leg uit waarom het nationaal inkomen per hoofd een gebrekkige maatstaf is voor welvaart. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Ontwikkeld land: hoog inkomen, goede infrastructuur, gezondheidszorg, onderwijs. Ontwikkelingsland: laag inkomen, armoede, slechte voorzieningen (1p). b) Het nationaal inkomen per hoofd houdt geen rekening met: ongelijke inkomensverdeling, zelfvoorziening (niet-geregistreerde productie), milieuvervuiling, kwaliteit van leven (1p).
Vraag 7 (2p)
Ontwikkelingslanden kampen met specifieke problemen.
a) Noem twee oorzaken van economische onderontwikkeling. (1p)
b) Noem twee gevolgen van onderontwikkeling. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: tekort aan natuurlijke hulpbronnen, beperkte scholing, gebrekkige infrastructuur, snelle bevolkingsgroei, corruptie, ongelijke handelsrelaties (1p). b) Twee uit: armoede, honger, lage levensverwachting, kinderarbeid, vluchtelingenstromen, milieuvernietiging (1p).
Vraag 8 (2p)
Er zijn verschillende manieren om ontwikkelingslanden te helpen.
a) Noem twee maatregelen om onderontwikkeling te verminderen. (1p)
b) Leg uit de rol van de Verenigde Naties bij het bevorderen van ontwikkeling. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Twee uit: ontwikkelingshulp (geld/kennis), eerlijke handel (fair trade), microkredieten, investeren in onderwijs en gezondheidszorg, schuldsanering (1p). b) De VN bevordert vrije wereldhandel, stelt ontwikkelingsdoelen (SDG's), coordineert hulpverlening, beschermt mensenrechten (1p).
Vraag 9 (2p)
Bekijk de afbeelding van een containerschip.
Internationale handel kan zowel kansen als bedreigingen bieden.
a) Noem een kans en een bedreiging van internationale handel voor Nederland. (1p)
b) Leg uit waarom internationale concurrentievervalsing door subsidies een probleem is. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) Kans: grotere afzetmarkt, lagere prijzen door import. Bedreiging: concurrentie van goedkope buitenlandse producenten, verlies werkgelegenheid (1p). b) Als een land subsidies geeft aan eigen bedrijven, kunnen die goedkoper verkopen dan buitenlandse concurrenten. Dit is oneerlijk en verstoort de vrije markt (1p).
Vraag 10 (2p)
De wisselkoers beinvloedt de internationale handel.
a) Leg uit wat een wisselkoers is. (1p)
b) Leg uit wat het gevolg is voor Nederlandse exporteurs als de euro in waarde stijgt ten opzichte van de dollar. (1p)
Antwoord
Maximumscore 2 a) De wisselkoers is de prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt (bijv. 1 euro = 1,10 dollar) (1p). b) Als de euro stijgt, worden Nederlandse producten duurder voor Amerikanen (meer dollars nodig per euro). Dit is nadelig voor de export: Amerikanen kopen minder Nederlandse producten (1p).