T U S S E N O N S · L E S 1 V A N 6
Hoi, ik ben...
Een gesprek beginnen en het gaande houden.
Sociale vaardigheden voor de onderbouw
Ja! Ik ben Noor. En jij?
Hoi! Zit jij ook in 1B?
Lesson by Tussen ons
This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.
T U S S E N O N S · L E S 1 V A N 6
Hoi, ik ben...
Een gesprek beginnen en het gaande houden.
Sociale vaardigheden voor de onderbouw
Ja! Ik ben Noor. En jij?
Hoi! Zit jij ook in 1B?
Dit is de eerste les van Tussen ons, een reeks van zes mentorlessen over sociale vaardigheden voor leerjaar 1 en 2. Elke les duurt ongeveer 50 minuten. De reeks volgt een groep klasgenoten in een stripverhaal: Noor, Daan, Yara, Milan, Lotte en Mo.
Leerdoelen van deze les
De leerling kan in drie stappen een gesprek beginnen.
De leerling kan open vragen stellen en doorvragen om een gesprek gaande te houden.
De leerling weet dat houding en oogcontact meepraten.
Fijn om aan het begin van het schooljaar te doen, maar het werkt ook later: in elke klas zijn er leerlingen die elkaar nog nauwelijks spreken. Voor de oefening aan het eind werken leerlingen in tweetallen. Maak de tweetallen bij voorkeur zelf, zodat leerlingen met iemand praten die ze nog niet goed kennen. Image credit: Open Peeps, Pablo Stanley (CC0) Image credit: Open Peeps, Pablo Stanley (CC0)
T U S S E N O N S · L E S 1
Na deze les...
1
Weet je hoe je een gesprek begint, ook met iemand die je nog niet kent.
2
Kun je open vragen stellen, zodat een gesprek niet meteen stilvalt.
3
Weet je wat jouw houding laat zien als je met iemand praat.
Lees de doelen voor of laat een leerling ze voorlezen. Je kunt vertellen dat dit iets is wat je kunt oefenen, net als een sport: niemand is vanzelf goed in praatjes maken.
P E I L I N G
Hoe makkelijk vind jij het om een gesprek te beginnen met iemand die je nog niet kent?
Heel makkelijk
Gaat wel
Best lastig
Echt moeilijk
De uitslag is anoniem. Meestal vindt een flink deel van de klas het lastig, en dat is goed om hardop te zeggen: als jij het spannend vindt, vindt de ander het waarschijnlijk ook. Dat maakt de stap kleiner.
T U S S E N O N S · L E S 1
Die ongemakkelijke stilte
E e r s t e s c h o o l d a g
Ik wil wel iets zeggen... maar wat?
E v e n l a t e r
...
D e b e l g a a t
Laat maar. Morgen misschien.
Herken je dit? Wat had Daan kunnen zeggen?
Laat de strip even zien en vraag: wie herkent dit? Vraag daarna wat Daan had kunnen zeggen. Verzamel een paar ideeën, zonder ze al te beoordelen. Je komt er op de volgende dia op terug. Je kunt ook vragen hoe Mo zich misschien voelde: vaak wacht de ander net zo goed af. Image credit: Open Peeps, Pablo Stanley (CC0) Image credit: Open Peeps, Pablo Stanley (CC0) Image credit: Open Peeps, Pablo Stanley (CC0)
T U S S E N O N S · L E S 1
Zo begin je een gesprek
Stap 1: Kijk
Kijk de ander even aan en glimlach. Dan weet de ander dat jij iets wilt zeggen.
Stap 2: Zeg hoi
Zeg hoi en noem je naam. Simpel, en het werkt bijna altijd.
Stap 3: Vraag iets
Vraag iets over wat jullie delen: de les, de bus, de mentor, de sportclub.
Tip: je hoeft niet grappig of slim te zijn. Gewoon beginnen is genoeg.
Bespreek de drie stappen. Laat bij stap 3 de klas voorbeelden noemen van dingen die je deelt met een klasgenoot: hetzelfde rooster, dezelfde fietsroute, dezelfde kantine. Benadruk de tip: veel leerlingen denken dat ze iets bijzonders moeten zeggen, terwijl een gewone vraag prima werkt.
T U S S E N O N S · L E S 1
Met welke vraag kun jij een gesprek beginnen?
Laat iedereen één beginvraag insturen. Lees er een paar voor en vraag: welke vragen maken het makkelijk voor de ander om iets terug te zeggen? Zo leg je meteen de brug naar open en gesloten vragen op de volgende dia. Image credit: Open Peeps, Pablo Stanley (CC0)
T U S S E N O N S · L E S 1
Open of gesloten vraag?
Gesloten vraag
"Vond je de toets moeilijk?"
Het antwoord is ja of nee. Daarna valt het gesprek vaak stil.
Open vraag
"Wat vond je het lastigste aan de toets?"
Nu kan de ander iets vertellen. Begin met wat, hoe, waarom, wie of waar.
Laat het verschil zien met een voorbeeld uit de klas: stel een leerling eerst een gesloten vraag en daarna een open vraag over hetzelfde onderwerp. Wijs op de vraagwoorden. Gesloten vragen zijn niet verkeerd, ze zijn handig om iets snel te weten. Om een gesprek op gang te houden werken open vragen beter.
Sleep elke vraag naar het goede vak.
Gesloten vraag: ja of nee
Open vraag: de ander vertelt
Heb je een broer of zus?
Wat doe jij in het weekend?
Woon je hier in de buurt?
Hoe ben je op deze school gekomen?
Vind je gym leuk?
Waar ga je deze vakantie heen?
Laat een leerling op het bord slepen of doe het klassikaal. Daag de klas uit: hoe maak je van elke gesloten vraag een open vraag? "Heb je een broer of zus?" wordt bijvoorbeeld "Hoe ziet jouw gezin eruit?"
T U S S E N O N S · L E S 1
Je lichaam praat mee
Dit zegt: ik luister
Je kijkt de ander aan
Je draait je naar de ander toe
Je telefoon zit in je zak
Je knikt of zegt "o ja?"
Dit zegt: laat maar
Je kijkt weg of naar je scherm
Je armen over elkaar
Je draait half weg
Je antwoordt met één woord
Wat je zegt is belangrijk. Hoe je erbij staat ook.
Je kunt dit kort voordoen: stel een leerling een vraag terwijl je naar je telefoon kijkt, en daarna terwijl je je naar de leerling toe draait. Vraag de klas wat het verschil was. Let op: niet iedereen vindt oogcontact makkelijk, en in sommige culturen is lang aankijken onbeleefd. Het gaat om laten merken dat je erbij bent.
W A T D O E J I J ?
Er zit een nieuwe leerling naast Milan bij wiskunde. Milan wil iets zeggen. Wat werkt het best?
Hij wacht tot de ander iets zegt.
Hij zegt hoi, noemt zijn naam en vraagt hoe de eerste week gaat.
Hij stuurt later een berichtje via de klassengroep.
Hij vertelt meteen alles over zichzelf.
Antwoord B combineert de drie stappen: contact maken, jezelf voorstellen en een open vraag. Bespreek ook de andere antwoorden. Wachten (A) voelt veilig, maar dan gebeurt er vaak niets. Een berichtje (C) kan, maar is minder persoonlijk. Alles over jezelf vertellen (D) laat de ander weinig ruimte. Image credit: Open Peeps, Pablo Stanley (CC0)
T U S S E N O N S · L E S 1
Een gesprek is pingpong
L o t t e
Ik zit op hockey.
M i l a n v r a a g t d o o r
O, cool! Hoe lang al?
L o t t e k a a t s t t e r u g
Drie jaar. Sport jij ook?
Vraag door, en vertel ook iets over jezelf. Zo gaat de bal heen en weer.
Gebruik het beeld van pingpong: als één persoon alleen vragen stelt, voelt het als een verhoor. Als één persoon alleen vertelt, is het een preek. Een goed gesprek gaat heen en weer. Wijs op wat Milan doet (doorvragen op wat Lotte zei) en wat Lotte doet (antwoorden en een vraag terug stellen). Image credit: Open Peeps, Pablo Stanley (CC0) Image credit: Open Peeps, Pablo Stanley (CC0)
W A T D O E J I J ?
Yara zegt: "Ik ben dit weekend naar een concert geweest." Welke reactie houdt het gesprek gaande?
"Leuk."
"Ik ga nooit naar concerten."
"Ik moet zo weg."
"Gaaf! Van wie was het?"
Antwoord D is een open vraag die doorgaat op wat Yara vertelt. "Leuk" (A) is vriendelijk, maar het gesprek stopt. B gaat over jezelf in plaats van over Yara, en C sluit het gesprek af. Vraag de klas om nog een goede doorvraag te bedenken, bijvoorbeeld: "Hoe was het?" of "Was je er met vrienden?" Image credit: Open Peeps, Pablo Stanley (CC0)
A A N D E S L A G
Oefenen in tweetallen
1
Zoek iemand met wie je nog niet vaak praat.
2
Begin het gesprek met de drie stappen.
3
Stel minstens twee open vragen en vraag door.
4
Vertel ook iets over jezelf. Na twee minuten wissel je.
Geen inspiratie? Praat over je favoriete eten, een serie of je droomvakantie.
minute
second
Maak de tweetallen het liefst zelf. Start de timer voor de eerste ronde en wissel daarna van rol: wie eerst begon, laat nu de ander beginnen. Loop rond en luister mee. Let vooral op doorvragen: complimenteer leerlingen die dat goed doen. Heb je tijd over, doe dan een derde ronde met een nieuw tweetal.
D E N K N A
Welke vraag werkte goed in jouw gesprek? Waarom denk je dat?
Bespreek een paar antwoorden. Meestal werkten vragen goed die aansloten bij iets wat de ander vertelde. Vraag ook wat lastig was: viel het gesprek ergens stil, en hoe kwam je daar weer uit?
O P V O L G O R D E
Zet de stappen van een goed gesprek in de goede volgorde.
Kijk de ander aan en lach
Zeg hoi en noem je naam
Vertel ook iets over jezelf
Luister en vraag door
Stel een open vraag
Een korte herhaling van de les. De laatste twee stappen wisselen in een echt gesprek steeds af, zoals bij pingpong. Daar mag de klas best over discussiëren.
W A T N E E M J E M E E ?
Wat ga jij deze week proberen?
Iemand nieuw gedag zeggen
Een open vraag stellen
Doorvragen als iemand iets vertelt
Letten op hoe ik erbij sta
Laat leerlingen een kleine, haalbare stap kiezen. Je kunt er volgende week op terugkomen aan het begin van les 2: wie heeft het geprobeerd, en hoe ging het?
Wil je verder? Via de link vind je de kant-en-klare themalessen van LessonUp. Image credit: Open Peeps, Pablo Stanley (CC0)