Wat zijn plaatsbepalingen? Plaatsbepalingen zijn woorden die aangeven waar iets of iemand is. Ze helpen je om te beschrijven op welke plek iets zich bevindt.
Plaatsbepalingen geven antwoord op de vraag: "Waar is het?"
Slide 9 - Slide
Preposiciones de lugar
cerca (de)
dichtbij
lejos (de)
ver weg
debajo (de)
onder
encima (de)
(boven) op
al lado de
naast
delante (de)
voor
detrás (de)
achter
aquí
hier
allí
daar
a la derecha
rechts
a la izquierda
links
entre
tussen
en
in / op
enfrente (de)
tegenover
Slide 10 - Slide
al lado de
debajo de
entre
detrás de
encima de
dentro de
delante de
Slide 11 - Drag question
¿Dónde está la pelota?
A
debajo de la mesa
B
encima de la mesa
C
debajo la mesa
D
encima la mesa
Slide 12 - Quiz
¿Dónde está el perro?
A
a la derecha del grifo
B
encima del grifo
C
debajo del grifo
D
la izquierda del grifo
Slide 13 - Quiz
¿Dónde está el elefante?
A
a la izquierda de la silla
B
debajo de la silla
C
al lado de la silla
Slide 14 - Quiz
¿Dónde está el oso?
A
al lado de los libros
B
encima de los libros
C
debajo de los libros
D
enfrente de los libros
Slide 15 - Quiz
Uiterlijk en karakter
Slide 16 - Slide
Slide 17 - Slide
Hoe weet ik welke van de werkwoorden
(Ser, Tener en Llevar) bij welke omschrijving nodig is?
Slide 18 - Slide
1. Een persoon identificeren.
Es mi abuela.
Mi abuela es una mujer.
2. Geslacht en afkomst.
Es española.
3. Beroep
Mi abuela es doctora.
SER
4. Permanente kwaliteiten:
Fysiek:
Hoogte Gewicht.
Mi abuela es baja. Es gorda/ flaca.
Schoonheid. Fases van het leven.
Es guapa/ fea. Es vieja.
Karakter:
Mi abuela es simpática.
Mi abuela es generosa.
Slide 19 - Slide
La descripción física
Slide 20 - Slide
Het uiterlijk
Slide 21 - Slide
Karakter
Slide 22 - Slide
TENER
Bezit
Leeftijd
Lichaamsdelen
Tiene 30 años.
- Tiene el pelo corto.
- Tiene el pelo castaño.
- Tiene barba.
Slide 23 - Slide
Slide 24 - Slide
Slide 25 - Slide
LLEVAR
Dingen die veranderen
Kleding
Lleva un velo.
Accessoires
Lleva un bolso.
Slide 26 - Slide
Zinnen maken bij het omschrijven van een persoon.
Onderwerp Werkwoord Eigenschap
SER
TENER
LLEVAR
ALTO
PELO NEGRO
TRENZA
ÉL
ELLA
Mi chico ideal + es + alto.
Él + tiene + el pelo negro.
Ella + lleva + una trenza
Slide 27 - Slide
Mannelijke vorm
Vrouwelijke vorm
alto
alta
bajo
baja
inteligente
inteligente
azul-
azul-
voor het meervoud voeg een "s" toe!
[of "es" als het woord eindigt met een medeklinker]
Slide 28 - Slide
Slide 29 - Slide
Kijk/-en luistervaardigheid
Een filmpje samen kijken
De personen beschrijven elkaar en je krijgt enkele seconden om te raden wie het is
Slide 30 - Slide
Slide 31 - Video
LLEVAR
SER
TENER
Dingen die veranderen
Bezit
Leeftijd
Afkomst
Lichaamsdelen
Gewicht
Beroep
Slide 32 - Drag question
Welk werkwoord gebruik je bij welke beschrijvingen? Koppel deze aan elkaar!
timer
0:20
los ojos azules, una nariz grande, los ojos marrones
una coleta, una camiseta, barba, gafas
calvo, bajo, guapo
llevar
ser
tener
Slide 33 - Drag question
Tiene el pelo moreno. Lleva los pantalones azules.
A
B
C
D
A
Rosa
B
María
C
Pablo
D
Jorge
Slide 34 - Quiz
Lleva..........
A
los pantalones azules
B
la camiseta roja
C
barba
D
un sombrero
Slide 35 - Quiz
Tiene el pelo rizado. Lleva un vestido rojo.
A
B
C
D
A
Rosa
B
María
C
Pablo
D
Jorge
Slide 36 - Quiz
Es una mujer delgada, tiene el pelo rubio.
A
B
C
D
A
Rosa
B
María
C
Pablo
D
Jorge
Slide 37 - Quiz
Es....
A
viejito
B
joven
C
moreno
D
gordo
Slide 38 - Quiz
Es.......
A
peligroso
B
tímido
C
simpático
D
simpática
Slide 39 - Quiz
Tiene los ojos..........
A
azules
B
verdes
C
azul
D
verde
Slide 40 - Quiz
www.profedeele.es
Slide 41 - Link
Slide 42 - Slide
opdracht 2: Foto beschrijven
In groepjes van 3 foto beschrijven
elke beschrijven één foto - de rest controleren/ stellen vragen
Slide 43 - Slide
Slide 44 - Video
Slide 45 - Video
opdracht 3: Contestar preguntas
Vamos a practicar con las tarjetas
Haz una preguntas más sobre el tema
timer
10:00
Slide 46 - Slide
Exit ticket
Welke drie werkwoorden heb je nodig om iemand te beschrijven?