Semana 23 havo 4

¿Qué vamos a hacer hoy?
Semana 23 
  • Bienvenida - 5 min
  • repaso - 30 min
  • Mondeling 40 min

Doel: Aan het eind van deze les:
  • ken je de plaatsbepalingen in het Spaans
  • kan je iemand zijn karakter en uiterlijk beschrijven in het Spaans
  • kan je oefenen voor de mondeling
1 / 48
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 79 min

Items in this lesson

¿Qué vamos a hacer hoy?
Semana 23 
  • Bienvenida - 5 min
  • repaso - 30 min
  • Mondeling 40 min

Doel: Aan het eind van deze les:
  • ken je de plaatsbepalingen in het Spaans
  • kan je iemand zijn karakter en uiterlijk beschrijven in het Spaans
  • kan je oefenen voor de mondeling

Slide 1 - Slide

¡Hola y bienvenidos!
¿Qué día es hoy?                                             ¿Cuándo es tú cumpleaños



¿Qué tiempo hace hoy?                                              ¿Qué hora es?

Slide 2 - Slide

Vocabulario
Thematische woordenschat

Hoe?
In studiewijzer --> pdf
StudyGo: link 
timer
10:00

Slide 3 - Slide

MONDELING

Slide 4 - Slide

Mondeling
Toetsweek D

weging 20%

10-15 min


Slide 5 - Slide

Mondeling

Bestaat uit drie delen:

  1. Over jezelf
  2. Een foto beschrijven 
  3. Vragen beantwoorden 

Slide 6 - Slide

¡REPASO!

Slide 7 - Slide

Las preposiciones de lugar


 (plaatsbepalingen)


Video tot 1:20 min

Slide 8 - Slide

Las expresiones de lugar
Wat zijn plaatsbepalingen?
Plaatsbepalingen zijn woorden die aangeven waar iets of iemand is. Ze helpen je om te beschrijven op welke plek iets zich bevindt.

Plaatsbepalingen geven antwoord op de vraag: "Waar is het?"

Slide 9 - Slide

Preposiciones de lugar
cerca (de)
dichtbij
lejos (de)
ver weg
debajo (de) 
onder 
encima (de) 
(boven) op
al lado de 
naast 
delante (de)
voor 
detrás (de)
achter
aquí
hier
allí
daar
a la derecha 
rechts 
a la izquierda 
links 
entre
tussen
en
in / op
enfrente (de)
tegenover

Slide 10 - Slide

al lado de
debajo de
entre
detrás de
encima de
dentro de
delante de

Slide 11 - Drag question

¿Dónde está la pelota?
A
debajo de la mesa
B
encima de la mesa
C
debajo la mesa
D
encima la mesa

Slide 12 - Quiz

¿Dónde está el perro?
A
a la derecha del grifo
B
encima del grifo
C
debajo del grifo
D
la izquierda del grifo

Slide 13 - Quiz

¿Dónde está el elefante?
A
a la izquierda de la silla
B
debajo de la silla
C
al lado de la silla

Slide 14 - Quiz

¿Dónde está el oso?
A
al lado de los libros
B
encima de los libros
C
debajo de los libros
D
enfrente de los libros

Slide 15 - Quiz

Uiterlijk en karakter

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Hoe weet ik welke van de werkwoorden 
(Ser, Tener en Llevar) bij welke omschrijving nodig is?

Slide 18 - Slide

1. Een persoon identificeren.
       Es mi abuela. 
 Mi abuela es una mujer.

2. Geslacht en afkomst.
              Es española.

3. Beroep
         Mi abuela es doctora.

SER
4. Permanente kwaliteiten:

Fysiek:
  • Hoogte                      Gewicht.      
Mi abuela es baja.       Es gorda/ flaca.

  • Schoonheid.        Fases van het leven. 
Es guapa/ fea.                        Es vieja. 

Karakter:
Mi abuela es simpática.
Mi abuela es generosa.


Slide 19 - Slide

La descripción física

Slide 20 - Slide

Het uiterlijk

Slide 21 - Slide

Karakter

Slide 22 - Slide

TENER
Bezit
Leeftijd
Lichaamsdelen
Tiene 30 años.
- Tiene el pelo corto.
- Tiene el pelo castaño.
- Tiene barba.

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

LLEVAR
 Dingen die veranderen
Kleding
Lleva un velo.
Accessoires
Lleva un bolso.

Slide 26 - Slide

Zinnen maken bij het omschrijven van een persoon.
Onderwerp                    Werkwoord                    Eigenschap
                      
SER
TENER
LLEVAR
ALTO
PELO NEGRO
TRENZA
ÉL
ELLA
Mi chico ideal + es + alto.
Él + tiene + el pelo negro.
Ella + lleva + una trenza

Slide 27 - Slide

Mannelijke vorm
Vrouwelijke vorm
alto
alta
bajo
baja
inteligente
inteligente
azul-
azul-
voor het meervoud voeg een "s" toe!
[of "es" als het woord eindigt met een medeklinker]

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

Kijk/-en luistervaardigheid
Een filmpje samen kijken
De personen beschrijven elkaar en je krijgt enkele seconden om te raden wie het is

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Video

LLEVAR
SER
TENER
Dingen die veranderen
Bezit
Leeftijd
Afkomst
Lichaamsdelen
Gewicht
Beroep

Slide 32 - Drag question

Welk werkwoord gebruik je bij welke beschrijvingen?
Koppel deze aan elkaar!
timer
0:20
los ojos azules, una nariz grande, los ojos marrones
una coleta, una camiseta, barba, gafas
calvo, bajo, guapo
llevar
ser
tener

Slide 33 - Drag question


Tiene el pelo moreno. Lleva los pantalones azules.

A
B
C
D
A
Rosa
B
María
C
Pablo
D
Jorge

Slide 34 - Quiz

Lleva..........
A
los pantalones azules
B
la camiseta roja
C
barba
D
un sombrero

Slide 35 - Quiz


Tiene el pelo rizado. Lleva un vestido rojo.

A
B
C
D
A
Rosa
B
María
C
Pablo
D
Jorge

Slide 36 - Quiz


Es una mujer delgada, tiene el pelo rubio.

A
B
C
D
A
Rosa
B
María
C
Pablo
D
Jorge

Slide 37 - Quiz

Es....
A
viejito
B
joven
C
moreno
D
gordo

Slide 38 - Quiz

Es.......
A
peligroso
B
tímido
C
simpático
D
simpática

Slide 39 - Quiz

Tiene los ojos..........
A
azules
B
verdes
C
azul
D
verde

Slide 40 - Quiz

Slide 41 - Link

Slide 42 - Slide

opdracht 2: Foto beschrijven
In groepjes van 3 foto beschrijven
elke beschrijven één foto - de rest controleren/ stellen vragen


Slide 43 - Slide

Slide 44 - Video

Slide 45 - Video

opdracht 3: Contestar preguntas
Vamos a practicar con las tarjetas

Haz una preguntas más sobre el tema
timer
10:00

Slide 46 - Slide

Exit ticket
  •  Welke drie werkwoorden heb je nodig om iemand te beschrijven?
  • Wat ging makkelijk?
  • Wat ging moeilijker?

Slide 47 - Slide

Slide 48 - Link