Personalpronomen, sein en haben

Personalpronomen, sein und haben

1 / 28
next
Slide 1: Slide
New lesson editorDuitsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Personalpronomen, sein und haben

This item has no instructions

Lesdoel

Ik kan Duitse persoonlijke voornaamwoorden gebruiken en de werkwoorden sein en haben goed vervoegen.

This item has no instructions

Welke Duitse woorden ken je al bij ik, jij, hij, zij of wij?

Gebruik de woordwolk als start: haal bekende woorden op zoals ich, du, er, sie, wir, sein, haben. Laat leerlingen kort zeggen wat ze al herkennen.

Personalpronomen enkelvoud en meervoud


Meervoud

Enkelvoud

wir - wij / we

ihr - jullie

sie - zij

ich - ik

du - jij / je

er - hij

sie - zij

es - het

Personalpronomen zijn persoonlijke voornaamwoorden.

Ze staan in plaats van een persoon of een ding.

Wijs erop dat Nederlands en Duits hier sterk op elkaar lijken, behalve bij ihr.

Voorbeelden met personalpronomen


  • Ich bin Larisa.

  • Du bist nett.

  • Er ist Paul.

  • Sie ist Anna.

  • Es ist ein Buch.

  • Wir sind in der Schule.

  • Ihr seid gute Schüler.

  • Sie sind Freunde.

Lees de zinnen hardop voor en laat de nadruk op het voornaamwoord vallen.

Let op: sie heeft twee betekenissen

sie kan in het Duits twee dingen betekenen:


  • sie = zij, één persoon

Sie ist Anna.

  • sie = zij, meerdere personen

Sie sind Lehrer.


Je ziet het verschil aan het werkwoord: ist of sind.

Benadruk dat het hier niet gaat om beleefdheidsvorm Sie, maar om sie als derde persoon vrouwelijk enkelvoud en derde persoon meervoud.

Welk woord betekent in het Duits 'jullie'?

A

wir

B

ihr

C

sie

D

du

Controleert het onderscheid tussen wir, ihr en sie na de uitleg over personalpronomen.

Vul de juiste personalpronomen in

In het Duits zeg je: Ich bin glücklich. / Du bist nett.

Bij één meisje zeg je: Sie ist Anna.

Voor een ding gebruik je: Es ist ein Buch.

Ich
Du
Sie
Es
wir
ihr
er
sind

Alle antwoorden komen letterlijk uit de voorbeelden op de vorige slides. Let op dat es voor een ding wordt gebruikt.

Das Verb sein

sein betekent zijn.


Je gebruikt sein bijvoorbeeld bij:

  • naam

  • leeftijd

  • eigenschap

  • beroep of rol


Voorbeeld: Ich bin Schüler.

Koppel sein aan zinnen met 'zijn' in het Nederlands: ik ben, jij bent, wij zijn.

sein vervoegen

ich bin

du bist

er / sie / es ist

Enkelvoud

Meervoud

wir sind

ihr seid

sie sind

This item has no instructions

Voorbeelden met sein

  • Ich bin 13 Jahre alt.

  • Du bist mein Freund.

  • Er ist nett.

  • Wir sind Schüler.

  • Ihr seid in der Schule.

Wijs op de combinatie met leeftijd: in het Duits zeg je letterlijk 'ik ben 13 jaar oud'.

Welke vorm hoort bij 'wir' van sein?

A

seid

B

bin

C

sind

D

ist

Plausibele fouten zijn seid en ist, omdat leerlingen vaak de rij van sein nog door elkaar halen.

Vul de vormen van sein in

Ich bin 13 Jahre alt.

Du bist mein Freund.

Wir sind Schüler.

Ihr seid in der Schule.

bin
bist
sind
seid
ist
haben
habt
hast

Deze oefening herhaalt de voorbeeldzinnen met sein en koppelt vorm aan voornaamwoord.

Das Verb haben

haben betekent hebben


Je gebruikt haben om te zeggen dat iemand iets heeft.


Voorbeelden:

  • een dier

  • een broer of zus

  • een fiets

  • vakantie

Houd het eenvoudig: hebben = bezit of iets dat bij iemand hoort.

haben vervoegen

Enkelvoud

ich habe

du hast

er / sie / es hat

wir haben

ihr habt

sie haben

Meervoud

This item has no instructions

Voorbeelden met haben

  • Ich habe einen Hund.

  • Du hast einen Bruder.

  • Er hat ein Fahrrad.

  • Wir haben ein Haus.

  • Ihr habt Ferien.

Wijs op de afwijkende vormen hast en hat; die lijken niet op hebben in het Nederlands, dus extra oefenen helpt.

Welke vorm hoort bij 'du' van haben?

A

hast

B

hat

C

habt

D

habe

Laat vooral het verschil zien tussen hast, hat en habt.

Vul de vormen van haben in

Ich habe einen Hund.

Du hast einen Bruder.

Er hat ein Fahrrad.

Wir haben ein Haus.

habe
hast
hat
haben
bin
bist
habt
sind

Gebaseerd op de voorbeeldzinnen met haben. Leerlingen zien hier ook het verschil tussen enkelvoud en meervoud.

Vergelijk: sein of haben

Kies sein bij:

  • wie iemand is

  • hoe iemand is

  • hoe oud iemand is


Kies haben bij:

  • wat iemand heeft

  • wat bij iemand hoort

Dit is de kern van het onderscheid: zijn versus hebben. Laat leerlingen steeds eerst de betekenis van de zin bepalen.

Welcher Satz ist richtig?

A

Wir hast Freunde.

B

Er sein nett.

C

Du hast einen Hund.

D

Ich sind 13 Jahre alt.

Test of leerlingen het betekenisverschil tussen sein en haben herkennen, niet alleen de vorm.

Welcher Satz ist richtig?

A

Wir haben zwei Katzen.

B

Ich sein müde.

C

Du hast sehr freundlich.

D

Du sind glücklich.

Test of leerlingen het betekenisverschil tussen sein en haben herkennen, niet alleen de vorm.

Welcher Satz ist richtig?

A

Wir sind ein rotes Auto.

B

Ihr habt einen Hund.

C

Du ist sehr freundlich.

D

Das Wetter hat heute schön.

Test of leerlingen het betekenisverschil tussen sein en haben herkennen, niet alleen de vorm.

Welcher Satz ist richtig?

A

Wir sein eine Schule.

B

Anna ist einen Hund.

C

Du ist sehr nett.

D

Das Wetter ist heute schön.

Test of leerlingen het betekenisverschil tussen sein en haben herkennen, niet alleen de vorm.

Kies sein of haben

Du bist 13 Jahre alt.

Er hat ein Fahrrad.

Wir sind Freunde.

Mein Hund hat vier Beine.

bist
hat
sind
hat
bin
habe
seid
ist

Hier moeten leerlingen eerst naar de betekenis kijken: leeftijd en eigenschap vragen om sein, bezit of iets dat bij iemand hoort om haben.

Welke vorm onthoud jij het makkelijkst?

Verwachte elementen: een vorm van sein of haben noemen en koppelen aan een voornaamwoord, bijvoorbeeld ich bin of du hast. Laat leerlingen hardop delen wat zij het best onthouden.

Wat vond jij vandaag het lastigst?

Verwachte elementen: leerlingen noemen wat lastig was, zoals sie = enkelvoud/meervoud of het verschil tussen sein en haben. Gebruik dit als korte terugblik.

Begrippenlijst

Personalpronomen - persoonlijk voornaamwoord dat een persoon of ding aanduidt

ich - ik

du - jij / je

er - hij

sie - zij

es - het

wir - wij / we

This item has no instructions

Begrippenlijst

ihr - jullie

sein - zijn

haben - hebben

bin - vorm van sein bij ich

bist - vorm van sein bij du

hast - vorm van haben bij du

hat - vorm van haben bij er / sie / es

This item has no instructions