Vocabulario 1.1 t/m 1.4 WB p. 27, SP-NL/ SP- NL. kleuren
Basiszinnen (Frases clave: TB Bron E p. 13 en Bron K p. 16) NL- SP.
(On)bepaalde lidwoorden (TB p. 13 Bron D): Bepaalde: el/la- los/las, onbepaalde un/una- unos/unas
Zelfstandig naamwoord (meervoud + herkenning mannelijk/vrouwelijk)
Getallen t/m 20 (TB p. 15 Bron H). Getal in het Spaans herkennen b.v.: diez is 10.
Werkwoorden ser (zijn) p. 16: vervoeging en betekenis:
De persoonlijke voornaamwoorden in het Spaans (yo, tú, él, ella, nosotros, vosotros, ustedes, ellos: TB p. 16 Bron J)
Uitspraakregels/ klanken: h, j, g, ñ, v, b