Avoir

  • Voca
1 / 22
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

  • Voca

Slide 1 - Slide

Dans ce cours...
  • Le verbe avoir
  • Vocabulaire

Slide 2 - Slide

La roue
Vervoeg het werkwoord avoir.

Slide 3 - Slide

Avoir = hebben
j'ai = ik heb
tu as = jij hebt
il a = hij heeft
elle a = zij heeft
nous avons = wij hebben
vous avez = jullie hebben, u heeft
ils/elles ont = zij hebben

Slide 4 - Slide

Elle ... un lapin.
A
as
B
a

Slide 5 - Quiz

J' ... treize ans.
A
ai
B
ont

Slide 6 - Quiz

Nous ... un jardin.
A
avons
B
avez

Slide 7 - Quiz

Martien et Erica ... un château.
A
ont
B
a

Slide 8 - Quiz

Vous ... les maths?

Slide 9 - Open question

Tu ... une grande maison?

Slide 10 - Open question

Non, j' ... une petite maison.

Slide 11 - Open question

Léa ... deux chiens.

Slide 12 - Open question

une chaise
A
een stoel
B
een bank

Slide 13 - Quiz

il y a
A
het is / dat is
B
er is / er zijn

Slide 14 - Quiz

je regarde
A
ik kijk
B
ik luister

Slide 15 - Quiz

un lit
A
een bureau
B
een kast
C
een tafel
D
een bed

Slide 16 - Quiz

la salle de séjour
A
de keuken
B
de woonkamer
C
de badkamer
D
de slaapkamer

Slide 17 - Quiz

le grenier
A
de deur
B
het raam
C
de zolder
D
de kelder

Slide 18 - Quiz

Vertaal: Hij heeft een zus.

Slide 19 - Open question

Vertaal: De fiets is rood.

Slide 20 - Open question

Vertaal: Jullie hebben een tuin.

Slide 21 - Open question

Vertaal: Ik woon in een groot huis.
(in = dans)

Slide 22 - Open question