Les 2.2 Wat kan ik

Wat kan ik goed?

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorLOBHBOMBOStudiejaar 1

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Wat kan ik goed?

Open met het idee dat iedereen sterke kanten heeft, ook als je die niet altijd meteen benoemt. Leg de link met stage, werk en zelfvertrouwen.

Lesdoel

Ik kan uitleggen waar ik goed in ben en voorbeelden geven van wat ik moet kunnen voor mijn toekomstige beroep.

This item has no instructions

Waar wist jij al van dat je er goed in was op stage?

Gebruik de woorden uit de cloud om voorkennis op te halen. Vraag eventueel door: Hoe wist je dat al? Waar merk je dat aan?

Waarom weten wat je kunt?

  • Je krijgt meer zelfvertrouwen

  • Je weet welke taken goed bij je passen

  • Je kunt beter kiezen welk werk bij jou past

  • Je ziet ook waar je nog in kunt groeien

Gebruik herkenbare voorbeelden uit stage of bijbaan. Benoem dat goed zijn in iets niet betekent dat je alles al perfect kunt.

Wat betekent: ergens goed in zijn?

Als je ergens goed in bent, gaat het vaak om dingen die je makkelijker, vaker goed of met meer plezier doet.


Dat kan gaan over werken met mensen, netjes werken, plannen, luisteren, doorzetten of handig zijn met materialen en machines.

Maak duidelijk dat kwaliteiten niet alleen schoolvakken zijn. Ook werkhouding en omgaan met anderen horen erbij.

Kwaliteiten op je stage

Voorbeelden van kwaliteiten:

  • vriendelijk omgaan met klanten

  • op tijd komen

  • rustig blijven

  • netjes werken

  • goed samenwerken

Sluit aan op de voorkennis uit de lesopzet: wat wisten leerlingen vooraf al van zichzelf? Houd het concreet en dicht bij hun stagepraktijk.

Kernkwaliteiten

Kernkwaliteiten zijn sterke eigenschappen die bij jou passen.


Voorbeelden zijn:

  • behulpzaam

  • precies

  • geduldig

  • verantwoordelijk

  • creatief

  • doorzettend

Verwijs naar de lijst met kernkwaliteiten. Kies samen enkele woorden en bespreek kort wat ze in de praktijk betekenen.

Niet alles gaat even makkelijk

Naast kwaliteiten heeft iedereen ook dingen die minder makkelijk gaan.


Dat is normaal. Juist als je dat weet, kun je oefenen, hulp vragen en stap voor stap groeien.

Bewaak een veilige toon: het gaat niet om tekortschieten, maar om ontwikkelen. Noem eventueel dat kwaliteiten en leerpunten naast elkaar bestaan.

Waarom is het handig om te weten waar je goed in bent?

A

Je kiest sneller pauze

B

Je krijgt meer zelfvertrouwen

C

Je hoeft niet te oefenen

D

Je maakt nooit fouten

De juiste kern uit dit blok is dat inzicht in je kwaliteiten helpt bij zelfvertrouwen en bij passende taken kiezen. De andere opties zijn veelvoorkomende misverstanden.

Vul de juiste woorden in

Als je weet waar je goed in bent, krijg je meer . Je ziet welke goed bij je passen. Iedereen heeft ook dingen die minder makkelijk gaan. Dan kun je en stap voor stap groeien.

Als je weet waar je goed in bent, krijg je meer
. Je ziet welke
goed bij je passen. Iedereen heeft ook dingen die minder makkelijk gaan. Dan kun je
huiswerk
klanten
twijfelen
rennen

Correcte invulling: zelfvertrouwen, taken, oefenen. Deze woorden komen direct uit het eerste lesblok.

Noem 1 kwaliteit van jezelf en waar je dat laat zien.

Bespreek dat antwoorden kunnen gaan over kwaliteiten op stage of kernkwaliteiten, zoals samenwerken, rustig blijven, precies werken of behulpzaam zijn. Laat leerlingen hun antwoord koppelen aan een concrete situatie.

Wat vraagt een beroep?

Voor een toekomstig beroep heb je vaak een mix nodig van:

  • vakkennis

  • praktische vaardigheden

  • sociale vaardigheden

  • werkhouding


Die mix kan per beroep verschillen.

Maak de overstap van 'wat kan ik al?' naar 'wat moet ik kunnen voor later?'. Dat is de kern van het tweede deel van het lesdoel.

Voorbeelden per soort vaardigheid

In het werk

  • luisteren

  • samenwerken

  • duidelijk praten

  • afspraken nakomen

  • materialen gebruiken

  • veilig werken

  • instructies volgen

  • netjes opruimen

In contact met anderen

Benadruk dat veel beroepen beide kanten vragen: taken uitvoeren én goed omgaan met anderen.

Beroepen vragen iets anders

  • In de zorg is geduld belangrijk

  • In de horeca is klantvriendelijkheid belangrijk

  • In techniek is precies werken belangrijk

  • In logistiek is overzicht houden belangrijk

Gebruik alleen voorbeelden als herkenning, niet als uitputtende lijst. Laat zien dat dezelfde leerling in verschillende beroepen andere kanten van zichzelf gebruikt.

Jouw kwaliteiten en jouw beroep

Als jouw kwaliteiten passen bij wat een beroep vraagt, voel je je vaak zekerder in je werk.


Dan kun je beter inschatten:

  • welke taken bij je passen

  • wat je nog moet oefenen

  • welke richting bij jou kan passen

Dit is de inhoudelijke landing van de les: zelfkennis helpt bij loopbaankeuzes en bij functioneren in BPV of werk.

Groeien in wat je nog lastig vindt

Je hoeft nog niet alles te kunnen.


Belangrijk is dat je:

  • weet wat al goed gaat

  • eerlijk ziet wat lastig is

  • oefent in kleine stappen

  • feedback gebruikt om beter te worden

Verbind dit met de lesafsluiting uit de planning: waarin wil je nog beter worden? Houd de nadruk op ontwikkeling.

Welke mix heb je vaak nodig in een beroep?

A

Vakkennis en vrije tijd

B

Snelheid en geluk

C

Kleding en vervoer

D

Vakkennis en vaardigheden

De les noemt een mix van vakkennis, praktische vaardigheden, sociale vaardigheden en werkhouding. De correcte optie vat dat het beste samen op A2/B1-niveau.

Vul de juiste woorden in

Voor een beroep heb je niet alleen nodig, maar ook praktische en sociale vaardigheden. Als jouw kwaliteiten passen bij een beroep, voel je je vaak in je werk. Wat je nog lastig vindt, kun je oefenen in kleine en met feedback verbeteren.

Voor een beroep heb je niet alleen
nodig, maar ook praktische en sociale vaardigheden. Als jouw kwaliteiten passen bij een beroep, voel je je vaak
in je werk. Wat je nog lastig vindt, kun je oefenen in kleine
machines
onzekerder
sprongen
pauzes

Correcte invulling: vakkennis, zekerder, stappen. Dit checkt de koppeling tussen beroepseisen, kwaliteiten en groei.

Waar wil jij zelf beter in worden?

1

Samenwerken

2

Plannen

3

Rustig blijven

4

Duidelijk praten

This item has no instructions

Wat heb jij vandaag over jezelf geleerd?

Reflectie zonder goed of fout. Laat leerlingen kort benoemen wat ze meenemen uit de les, bijvoorbeeld een kwaliteit van zichzelf of iets wat een beroep vraagt.

Welk deel van deze les hielp jou het meest?

Laat leerlingen nadenken over hun leerproces. Mogelijke antwoorden: voorbeelden uit stage, de lijst met kwaliteiten, het praten met klasgenoten, of de koppeling met beroep.

Woordenlijst

kwaliteit - iets waar je goed in bent

kernkwaliteit - een sterke eigenschap die bij jou past

zelfvertrouwen - vertrouwen dat je iets kunt

vaardigheid - iets wat je hebt geleerd om te doen

werkhouding - hoe je je gedraagt tijdens het werk

toekomstig beroep - het werk dat je later wilt doen

feedback - tips of reacties waarmee je kunt leren

This item has no instructions