proeftoets hst 2 "water"

Proeftoets hst 2 "Water"
1 / 36
next
Slide 1: Slide
naskMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Proeftoets hst 2 "Water"

Slide 1 - Slide

Het grootste gedeelte van de aarde is bedekt met water
A
Waar
B
Niet waar

Slide 2 - Quiz

Verdampen is een ander woord voor bevriezen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 3 - Quiz

Bij een temperatuur van 20 °C is water een vaste stof
A
Waar
B
Niet waar

Slide 4 - Quiz

De fase-overgang van waterdamp naar water heet condenseren
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quiz

Als water verdampt wordt het een vaste stof
A
Waar
B
Niet waar

Slide 6 - Quiz

Het smeltpunt van water en het stolpunt van water zijn hetzelfde.
(0 °C)
A
Waar
B
Niet waar

Slide 7 - Quiz

De meeste stoffen kunnenvoorkomen in drie fasen, vaste stoffen, vloeistoffen en gas.
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quiz

Wat is condenseren? De fase-verandering:
A
van gas naar vloeistof.
B
van vaste stof naar vloeistof.
C
Van vloeistof naar gas.
D
Van vloeistof naar vaste stof.

Slide 9 - Quiz

Wat is stollen? De fase-verandering:
A
Van gas naar vloeistof.
B
Van vaste stof naar vloeistof.
C
Van vloeistof naar gas.
D
Van vloeistof naar vaste stof.

Slide 10 - Quiz

Ijs is een...….. stof, (vloeistof) water een ….. en waterdamp een …..

Slide 11 - Open question

De ijskristallen in sneeuw hebben allemaal dezelfde ……. structuur.
A
vierhoekige
B
driehoekige
C
zeshoekige
D
vijfhoekige

Slide 12 - Quiz

Noem de zes soorten neerslag.

Slide 13 - Open question

In welke fase behoord regen en dauw ?
A
vast
B
vloeibaar
C
gas

Slide 14 - Quiz

In welke fase behoord sneeuw en hagel ?
A
vast
B
vloeibaar
C
gas

Slide 15 - Quiz

In welke fase behoord rijp en ijzel ?
A
vast
B
vloeibaar
C
gas

Slide 16 - Quiz

De vloeistof in een vloeistofthermometer krimpt als de temperatuur daalt.
A
waar
B
niet waar

Slide 17 - Quiz

De vloeistof in een vloeistofthermometer zet niet uit als de temperatuur stijgt.
A
waar
B
niet waar

Slide 18 - Quiz

Het reservoir van een vloeistofthermometer is gevuld met
A
water
B
benzine
C
alcohol
D
azijn

Slide 19 - Quiz

In het dagelijks leven wordt de temperatuurschaal van Celsius gebruikt.
Deze schaal gaat uit van twee vaste punten:
A
waar
B
niet waar

Slide 20 - Quiz

Uit welke drie onderdelen bestaat een vloeistofthermometer?

Slide 21 - Open question

Kwik heeft een smeltpunt van -39°C en een kookpunt van 357°C.
Welke fase heeft kwik als het 30 °C is?
A
vast
B
vloeibaar
C
gas

Slide 22 - Quiz

Kwik heeft een smeltpunt van -39°C en een kookpunt van 357°C. Bij welke temperatuur is kwik een gas?
A
-40°C
B
-38°C
C
356°C
D
358°C

Slide 23 - Quiz


Welke faseovergang zie je in het plaatje?
A
Verdampen
B
Condenseren
C
Sublimeren
D
Koken

Slide 24 - Quiz

hoe heet deze faseovergang?
vast --> vloeibaar
A
rijpen
B
smelten
C
stollen
D
verdampen

Slide 25 - Quiz

De was droogt ook als het vriest.
Welke faseovergang heeft er plaatsgevonden?
A
stollen
B
verdampen
C
smelten
D
vervluchtigen

Slide 26 - Quiz

Door welke faseovergang is dit ijs ontstaan?
A
rijpen
B
bevriezen
C
smelten
D
condenseren

Slide 27 - Quiz

Bekijk de grafiek hier naast goed. Wat is het stolpunt van deze stof?
A
400 graden
B
250 graden
C
100 graden
D
Kun je niet zeggen

Slide 28 - Quiz

Bekijk de grafiek hier naast goed. In welke fase bevindt de stof zich bij
t = 7min?
A
Vast en Vloeibaar
B
Vloeibaar
C
Vloeibaar en gasvormig
D
Kun je niet zeggen

Slide 29 - Quiz

In welke fase is de ruimte tussen de moleculen het kleinst?
A
Vaste fase
B
Vloeibare fase
C
Gasvormige fase

Slide 30 - Quiz

In welke fase is de aantrekkingskracht tussen moleculen denk je het grootst? (Denk aan de tussenruimte)
A
Vaste fase
B
Vloeibare fase
C
Gasvormige fase

Slide 31 - Quiz

In welke fase bevindt kwik zich bij 10 graden?
A
Vast
B
Vloeibaar
C
Gas

Slide 32 - Quiz

In welke fase bevindt koolstofdioxide zich bij 10 graden?
A
Vast
B
Vloeibaar
C
Gas

Slide 33 - Quiz

Welke fase heeft ijs?
A
vast
B
vloeibaar
C
gas

Slide 34 - Quiz

Welke fase-overgang hoort bij verdampen?
A
vloeibaar -> gas
B
vloeibaar-> vast
C
gas-> vloeibaar
D
vaste ->vloeibaar

Slide 35 - Quiz

Welke fase-overgang hoort bij smelten?
A
vast -> gas
B
vloeibaar-> vast
C
gas-> vloeibaar
D
vaste ->vloeibaar

Slide 36 - Quiz