5V - Periode 3, Les 16+17 - 08-04-2026

Bienvenidos
lessonup klascode
VWO 5: oivdd


1 / 31
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Bienvenidos
lessonup klascode
VWO 5: oivdd


Slide 1 - Slide

Reglas:

  1. groeten bij binnenkomst, telefoon in de tas
  2. spullen en huiswerk in orde
  3. bij binnenkomst rustig op eigen plaats gaan zitten
  4. als docent of een medeleerling spreekt ben je stil
  5. vragen? hand opsteken
  6. computer alleen gebruiken voor de les, en alleen indien de docent dat vraagt (dus geen andere bestanden of meldingen open hebben staan)
                                                 
                                    Respecteer elkaar, en elkaars spullen.

Slide 2 - Slide

Info 
Período 3
1. Materiales:
- Lessonup, SOM
- Schrift, Pennen, Mapje, Laptop

2. Exámenes
- Voca (13 de mayo)
- Grammatica (25-29 de mayo)
- Oral (TW) (presentación de cómo podrían hacer que Laar & Berg fuera más sostenible) 


Slide 3 - Slide

Los objetivos
- ik kan het lv en mv vervangen voor een persoonlijk voornaamwoord op de juiste plek in de zin 
- ik weet welke tijd de condicional is, wanneer je deze gebruikt en kan deze vervoegen en in zinnen gebruiken 

Slide 4 - Slide

El programa 
10 min    -  Corregimos los deberes
20 min    - Presentaciones CD/CI
30 min    - El condicional
20 min    - Vocabulario






Pak je boekje, schrift + laptop (dicht) 

Slide 5 - Slide

Corregimos los deberes
Estudiar: 
Vocabulario p. 46 47 48
Las conjugaciones del imperativo 
CD/CI
El futuro 

Hacer: 

Slide 6 - Slide

Presentatie en uitwisseling
Na de voorbereiding legt elk groepje legt in +-5 minuten hun thema uit aan de anderen.

Iedereen maakt aantekeningen tijdens de uitleg van de anderen.


Slide 7 - Slide

Lijdend voorwerp / meewerkend voorwerp

Slide 8 - Slide

Beantwoord de onderstaande 2 vragen:


1. Hoe vind ik het lijdend voorwerp in de zin? 


2. Hoe vind ik het meewerkend voorwerp in de zin?
Lijdend + meewerkend vwp

Slide 9 - Slide

Beantwoord de onderstaande 2 vragen:


1. Hoe vind ik het lijdend voorwerp in de zin? 
Het lijdend voorwerp = wie / wat + onderwerp + gezegde.

2. Hoe vind ik het meewerkend voorwerp in de zin?
Het meewerkend voorwerp =  aan wie of voor wie + onderwerp + gezegde én het eventuele lijdend voorwerp.
Lijdend + meewerkend vwp

Slide 10 - Slide

"Ik geef een boek aan Juan"

        een boek = lijd.vw
        aan Juan = meew.vw


Voorbeeld

Slide 11 - Slide

"Ik geef een boek aan Juan"

        een boek = lijd.vw
        aan Juan = meew.vw


Dit kan korter (als je al weet waar het over gaat): 

"Ik geef HET HEM". 
Voorbeeld

Slide 12 - Slide

Wij gaan leren hoe we zinnen korter kunnen maken. Waarom?

- We gebruiken dit (ook in het NL) meer dan we denken
- In teksten komt dit enorm vaak voor en als we dit snappen, begrijpen we meer van de tekst. 

Dan maken we niet meer de fout dat 
¿Me compras una rosa? > IK KOOP een roos betekent. 

Juist = Koop jij een roos VOOR mij?
Lijdend + meewerkend vwp

Slide 13 - Slide

me
te
lo/la
nos
os 
los/las

Lijd.vw             Meew.vw
me
te
le (se)
nos
os 
les (se)

Persoonlijk 
voornaamwoord
Persoonlijk 
voornaamwoord

Slide 14 - Slide

Lijd.vw
me
te
lo/la
nos
os 
los/las

Meew.vw
me
te
le (se)
nos
os 
les (se)

Wederkerende ww
me llamo
te   llamas
se   llama
nos llamamos
os   llamáis
se   llaman

Gustar
me
te
le      +gusta(n)
nos
os 
les

Hoe weet je nu of je te maken hebt met een wederk.ww of een lijdvw/meew.vw?
Persoonlijke vnw

Slide 15 - Slide

¡Para empezar!
Vervang nu het lijdend- én het meewerkend vw door het persoonlijk voornaamwoord

1. ¿Has comprado los zapatos a los niños?           ________________________________
2. ¿Has devuelto el coche a tu abuelo?                  ________________________________
3. ¿Anna ha dicho a tí la verdad?                               ________________________________
4. ¿Habéis pedido la dirección a la compañera nueva? ________________________



Lijdend én meewerkend voorwerp (1)

Slide 16 - Slide

¡Para empezar!
Vervang het meewerkend vw door het persoonlijk voornaamwoord

1. ¿Has comprado los zapatos a los niños?        ¿Se los has comprado?
2. ¿Has devuelto el coche a tu abuelo?                ¿Se lo has devuelto?
3. ¿Anna ha dicho a tí la verdad?                             ¿Anna te la ha dicho?
4. ¿Habéis pedido la dirección a la compañera nueva? ¿Se la habéis pedido?



Lijdend én meewerkend voorwerp (1)

Slide 17 - Slide

Vervang het lijd.vw. EN het meew.vw. voor de juiste pers.vnw. en herschrijf de zin (gebruik een punt op het einde!)

Mañana voy a dar la chaqueta a mi hermano.

Slide 18 - Open question

Vervang het lijd.vw. EN het meew.vw. voor de juiste pers.vnw. en herschrijf de zin (gebruik een punt op het einde!)

Quiero comprar el libro para él.

Slide 19 - Open question

Vervang het lijd.vw. EN het meew.vw. voor de juiste pers.vnw. en herschrijf de zin (gebruik een punt op het einde!)

Mi padre va a comprar una tele para mí.

Slide 20 - Open question

Vat in eigen woorden samen de uitleg van de CD/CI

Slide 21 - Open question

Maak de zin af: Ik heb door het maken/uitvoeren en kijken van de presentaties geleerd ....

Slide 22 - Open question

dormiré = ik zal slapen
Hele ww + uitgang


dormiría = ik zou slapen
Hele ww + uitgang

Condicional
= futuro simple



= condicional

Slide 23 - Slide

Condicional (gebruik)
- om iets beleefd zeggen /vragen
- om vermoeden/waarschijnlijkheid in het verleden aan te geven
- wens
- tips / adviezen
- bij indirecte rede als hoofdzin in v.t. staat

Slide 24 - Slide

Verbos regulares

Slide 25 - Slide

Condicional (onregelmatig)
Zelfde onregelmatige stam als bij futuro.


-ía
-ías
-ía
-íamos
-íais
-ían

Slide 26 - Slide

Ejercicio 7: 
1. ¿Tú (poder) _______________ ayudarme con este ejercicio, por favor?
2. Yo en tu lugar (ponerse) ________________________el vestido azul.
3. ¿Tú (tener) ______________________ tiempo de venir esta noche a mi casa?
4. En otra época esa casa (valer) ____________________mucho menos.
5. ¿Tú (poner) _________________________este jarrón en la mesa junto a la ventana?.
6.¿ _____________________ (venir) a mi fiesta, por favor?.
7. Yo creo que tu hermana menor (poder)_______________________ir más rápida que tú.
8. ¿Qué le (decir) _____________________el jefe a Daría cuando estaban en el despacho?
9. Yo que tú (hacer) ___________________más canapés. Recuerda que hay 10 niños invitados.
10. A José (gustar) le ___________________________ hacer lo mismo que hace su hermano, el vago.
11. ¿Tu (salir) _____________ con ese chico? Yo en la vida.


timer
5:00
timer
2:00

Slide 27 - Slide

Ejercicio 7: 
1. ¿Tú (poder) _____podrías__________ ayudarme con este ejercicio, por favor?
2. Yo en tu lugar (ponerse) _________me pondría_______________el vestido azul.
3. ¿Tú (tener) ________tendrías______________ tiempo de venir esta noche a mi casa?
4. En otra época esa casa (valer) _________valdría___________mucho menos.
5. ¿Tú (poner) ________pondrías_________________este jarrón en la mesa junto a la ventana?.
6.¿ __________vendrías___________ (venir) a mi fiesta, por favor?.
7. Yo creo que tu hermana menor (poder)__________podría_____________ir más rápida que tú.
8. ¿Qué le (decir) ________diría_____________el jefe a Daría cuando estaban en el despacho?
9. Yo que tú (hacer) ________harías___________más canapés. Recuerda que hay 10 niños invitados.
10. A José (gustar) le _________gustaría__________________ hacer lo mismo que hace su hermano, el vago.
11. ¿Tu (salir) ______saldrías_______ con ese chico? Yo en la vida.


Slide 28 - Slide

Trabajo individual/ en parejas
Ahora vas a hacer los ejercicios gramaticales de manera individual.


p. 33-37 ej 1, 2, 3,4,5,6


timer
15:00

Slide 29 - Slide

1. Hoe was de les? 2. Wat heb je geleerd?

Slide 30 - Open question

Los deberes

Estudiar: 
Vocabulario p. 46 47 48
Repaso: Las conjugaciones del imperativo CD/CI, El futuro 
El condicional


Hacer: 
ej 1-6 condicional 





Slide 31 - Slide