Herhalingsles paragraaf 1 t/m 5 hoofdstuk 3

Herhaling hoofdstuk 3


Geld over en te kort

1 / 45
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomiePraktijkonderwijsLeerjaar 3

This lesson contains 45 slides, with text slides.

Items in this lesson

Herhaling hoofdstuk 3


Geld over en te kort

This item has no instructions

Paragraaf 1 Waarom sparen

This item has no instructions

Hoe ziet de les eruit:

  • Doelen

  • Uitleg

  • Opdrachten maken

This item has no instructions

Doelen:

  • Aan het einde van de les kan je uitleggen wat sparen is.


  • Aan het einde van de les kan je voorbeelden noemen waarom je gaat sparen.


  • Aan het einde van de les kan je berekeningen maken met spaargeld.

This item has no instructions

Wat is sparen:

Sparen: Het verschuiven van bestaande koopkracht naar de toekomst.


Koopkracht: Hoeveel je kunt kopen van je geld.

This item has no instructions

Waarom sparen:

  • Grote aankopen

  • Rente

  • Het opvangen van tegenvallers


Tegenvallers kan je opvangen met een verzekering

Fiets voorbeeld tegenvallers (fiets verzekeren)

De spaarrente is hoger bij:

  • Hoger rentepercentage

  • Hoger spaarbedrag

  • Langere spaarperiode


Looptijd: De tijd dat het geld bij de bank blijft staan.


Depositosparen: Sparen waarbij je het geld niet mag opnemen gedurende de looptijd.

This item has no instructions

Berekeningen:

Rente per jaar


Spaarbedrag : 100 x rentepercentage



Rente gedurende deel van het jaar


Rente per jaar : 12 x aantal maanden

This item has no instructions

Berekeningen:

Bereken hoeveel rente je per jaar krijgt bij een spaarbedrag van €1000 en een rentepercentage van 4%.

This item has no instructions

Berekeningen:

Bereken hoeveel rente je per jaar krijgt bij een spaarbedrag van €1000 en een rentepercentage van 4%.


€1000 : 100 x 4 = €40

This item has no instructions

Berekeningen:

Je krijgt 4% rente per jaar over een spaarbedrag van €1000.
Hoeveel rente krijg je als je het geld 3 maanden laat staan?





This item has no instructions

Berekeningen:

Je krijgt 4% rente per jaar over een spaarbedrag van €1000.
Hoeveel rente krijg je als je het geld 3 maanden laat staan?


Rente per jaar = €40


€40 : 12 x 3 = €10



This item has no instructions

Test jezelf paragraaf 1 maken voor morgen

This item has no instructions

Afsluiting:

  • Aan het einde van de les kan je uitleggen wat sparen is.


  • Aan het einde van de les kan je voorbeelden noemen waarom je gaat sparen.


  • Aan het einde van de les kan je berekeningen maken met spaargeld.

This item has no instructions

Paragraaf 2 & 3 herhaling

This item has no instructions

Toets hoofdstuk 3 volgende week dinsdag (2 december)

This item has no instructions

Paragraaf 2 Kopen op krediet

This item has no instructions

Wat is lenen:

Krediet: een lening


Lenen: Het verschuiven van toekomstige koopkracht naar het heden


Koopkracht: Hoeveel je kunt kopen van je geld


Door te lenen kan je nu meer geld uitgeven maar in de toekomst minder.

This item has no instructions

Waarom lenen:

  • Grote uitgaven

  • Opvangen van tegenvallers

  • Opvangen van een tijdelijk geldtekort

This item has no instructions

Wat betaal je voor een lening:

  • Het geleende bedrag (aflossing)

  • Rente over het geleende bedrag


Veel leningen worden terugbetaald in termijnen


Termijn: Het bedrag dat iemand regelmatig moet betalen

This item has no instructions

De te betalen rente is hoger:

  • Bij een hoger rentepercentage

  • Bij een hoger leenbedrag

  • Bij een langere looptijd


Looptijd: de periode waarin geld wordt geleerd of geld op een spaarrekening staat.

This item has no instructions

Berekening:

Totale rente:


Optelsom maandtermijnen - bedrag lening

This item has no instructions

Paragraaf 3 Het budgetplan

This item has no instructions

Wat is een budgetplan:

Een overzicht met de verschillende budgetten van een huishouden of persoon.


Budget: een bedrag waarvan je een bepaald soort uitgaven moet doen.

This item has no instructions

Voorbeelden budgetten:

  • Dagelijkse uitgaven: vaak voorkomende uitgaven voor jezelf en voor de huishouding.


  • Vaste lasten: regelmatig terugkerende uitgaven.


  • Incidentele uitgaven: onregelmatige uitgaven voor reparaties, vervangingen of de aankoop van (duurzame) consumptiegoederen.

This item has no instructions

Stappen maken budgetplan:

1) Reken de gemiddelde inkomsten per maand uit.

2) Bedenk welke budgetten je wilt gebruiken.

3) Verdeel de uitgaven van meerdere maanden over deze budgetten.

4) Reken de gemiddelde uitgaven per budget uit.

5) Reken uit of je een overschot of tekort hebt.

6) Stel de budgetten vast.



This item has no instructions

Budgetteren:

Budgetteren: het op elkaar afstemmen van de inkomsten en uitgaven.


Bij een overschot:

  • kan je sparen

  • kan je budgetten verhogen


Bij een tekort:

  • kan je minder sparen

  • kan je budgetten verlagen


Prioriteiten stellen: Dat wat je het belangrijkste vindt.



This item has no instructions

Test jezelf paragraaf 2 & 3 maken voor volgende week

This item has no instructions

Paragraaf 4 & 5 herhaling

This item has no instructions

Toets hoofdstuk 3 morgen

(2 december)

This item has no instructions

Hoe ziet de les eruit:

  • Uitleg

  • Opdrachten maken

This item has no instructions

Paragraaf 4 Rondkomen

This item has no instructions

Een geldtekort kun je opvangen door:

  • Je spaargeld te gebruiken

  • Loonsverhoging

  • Een lening

  • Te bezuinigen


Tijdelijke overschotten lossen geen blijvend tekort op.

This item has no instructions

Nadelen lening:

  • Veroorzaakt hogere vaste lasten.

  • Vergroot financiële problemen bij een blijvend geldtekort.



Vaste lasten: Terugkerende, vaak verplichte uitgaven (huur, energie, verzekeringen)

This item has no instructions

Bezuinigen kan door:

  • Luxe artikelen niet meer te kopen

  • Boodschappen te doen bij goedkopere winkels

  • Aanbiedingen te kopen

  • Aankopen uit te stellen

This item has no instructions

Paragraaf 5 Reserveren

This item has no instructions

Reserveren:

Reserveren: Geld opzijleggen voor bepaalde uitgaven.


De reserves zijn een deel van het spaargeld.

This item has no instructions

Reserves dalen door:

  • De aanschaf van duurzame consumptiegoederen

  • Het vervangen van duurzame consumptiegoederen.



Duurzame consumptiegoederen: Goederen die voor een langere tijd meegaan.


Verbruiksgoederen: goederen die je maar 1 keer kunt gebruiken.

This item has no instructions

Bij geld reserveren kunnen meevallers ontstaan door:

  • De aanschafprijs van goederen is lager dan geschat.

  • De gebruiksduur van goederen is langer dan geschat.

  • De restwaarde van goederen is hoger dan geschat.


Restwaarde: De prijs die een product na gebruik opbrengt.

This item has no instructions

Rekenen met reserveren:

Reservering per maand = (aanschafprijs - restwaarde - al gespaard bedrag) : gebruiksduur in maanden




This item has no instructions

Rekenen met reserveren:

Reservering per maand = (aanschafprijs - restwaarde - al gespaard bedrag) : gebruiksduur in maanden




This item has no instructions

Test jezelf paragraaf 4 & 5 maken voor morgen

This item has no instructions

Hoe ziet de les eruit:

  • Toets-trainingsspel

  • Opdrachten maken

This item has no instructions

Toets-trainingsspel:

  • De klas wordt verdeeld in 2 teams.

  • Elk team kiest een vraag te maken met hoofdstuk 3:
    makkelijk = 1 punt, moeilijk = 2 punten, zeer moeilijk = 3 punten.

  • Goed antwoord? Team krijgt de punten.

  • Fout antwoord? Andere team mag het proberen.

  • Het team met de meeste punten wint.

1

minute

00

second

This item has no instructions

Test jezelf paragraaf 4 & 5 maken voor morgen

This item has no instructions