Les 05 - Voorbereiding toets

Voorbereiding op de toets
Module grammatica woordsoorten
1 / 13
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 13 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Voorbereiding op de toets
Module grammatica woordsoorten

Slide 1 - Slide

Lesdoelen
Als het goed is, weet je aan het eind van deze les: 
- welke woordsoorten je voor de toets moet kunnen benoemen; 
- hoe je werkwoorden benoemt; 
- hoe je bij twijfel persoonlijke, bezittelijke en wederkerende voornaamwoorden uit elkaar kunt houden; 
- waaraan je het betrekkelijk voornaamwoord kunt herkennen. 

Slide 2 - Slide

Proefwerk
Volgende week maandag hebben jullie een proefwerk over de module grammatica woordsoorten. 

Slide 3 - Slide

Toetsstof
Voor de toets grammatica woordsoorten van volgende week, moet je de module grammatica woordsoorten kennen. Je moet de volgende woordsoorten kunnen benoemen. 
blw, olw, zn, bn, hww, zww, kww, aanw.vnw, vr.vnw, vz, bw, pers.vnw, bez.vnw, bep.hoofdtelw., onbep.hoofdtelw., bep.rangtelw., onbep.rangtelw., os.vgw, ns.vgw, onbep.vnw., betr.vnw wed.vnw en wedig.vnw. 

Slide 4 - Slide

Werkwoorden in samengestelde zinnen
Als er sprake is van een samengestelde zin, verdelen we die eerst in enkelvoudige zinnen. Dit doen we door de zin in een andere tijd te zetten. Elk werkwoord dat hierbij verandert, is een persoonsvorm. In een samengestelde zin zijn evenveel zinnen als persoonsvormen. 

De eerste stap die we dus zetten, is het verdelen van de samengestelde zin in enkelvoudige zinnen. 

Slide 5 - Slide

Het belangrijkste werkwoord
Als er alleen nog maar enkelvoudige zinnen over zijn, gaan we op zoek naar het belangrijkste werkwoord. Als er maar één werkwoord in de zin staat is dit automatisch het belangrijkste werkwoord. 

Staan er meer werkwoorden in de zin; dan strepen we de persoonsvorm weg en maken we met de overgebleven werkwoorden een goede zin. Dit doen we net zo lang tot er nog maar een werkwoord over is: het belangrijkste werkwoord. 

Slide 6 - Slide

Het benoemen van de werkwoorden
Van alle werkwoorden die we hebben weggestreept om tot het belangrijkste werkwoord te komen, weten we dat ze niet het belangrijkst zijn. Dit noemen we hulpwerkwoorden. 

Als het belangrijkste werkwoord in de zin een vorm is van de werkwoorden zijn, worden, schijnen, blijven, blijken, lijken, dunken, heten of voorkomen, dan is het een koppelwerkwoord, 

Is het belangrijkste werkwoord in de zin niet een vorm van één van die werkwoorden, dan is het een zelfstandig werkwoord. 

Slide 7 - Slide

Persoonlijk, bezittelijk of wederkerend?
Sommige woorden kunnen zowel een persoonlijk, als een bezittelijk of wederkerend voornaamwoord zijn. Twijfel je? Maak het dan mannelijk: 

- verandert het in hij  of hem? Dan is het een persoonlijk voornaamwoord.
- verandert het in zijn? Dan is het een bezittelijk voornaamwoord. 
- verandert het in zich? Dan is het een wederkerend voornaamwoord. 

Slide 8 - Slide

Die, dat, wie en wat
De woorden die, dat, wie en wat kunnen betrekkelijke voornaamwoorden zijn.  Deze betrekkelijke voornaamwoorden verwijzen altijd naar iets dat al in de zin is genoemd: het antecedent. 

Als je het woordje die kunt vervangen door deze; of het woordje dat kunt vervangen door dit, dan zijn het geen betrekkelijke, maar aanwijzende voornaamwoorden. Dat kan ook een onderschikkend voegwoord zijn. 

Als je het woord wie kunt vervangen door degene die of wat  kunt vervangen door datgene dat, dan is het een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent. 

Het woord wat  kan ook een onbepaald voornaamwoord zijn. Hiervan is sprake als je het kunt vervangen door het woordje iets 

Slide 9 - Slide

Bijwoord of voorzetsel? 
Soms komt het voor dat bepaalde eruitzien als voorzetsels, maar bijwoord zijn. Hiervan is sprake bij de splitsbare delen van splitsbare werkwoorden. 

Bijvoorbeeld: Hij rekent de lastige som uit

Slide 10 - Slide

Of, dus en toen
Het woord of is altijd een voegwoord. Als er een keuze tussen twee opties volgt is het nevenschikkend; koppelt het een bijzin aan een hoofdzin, dan is het een onderschikkend voegwoord. 

Als het woord dus twee hoofdzinnen aan elkaar koppelt, is het een nevenschikkend voegwoord. In alle andere gevallen is het een bijwoord. 

Het woord toen is een onderschikkend voegwoord als het een bijzin aan een hoofdzin koppelt. Is dit niet het geval, dan is het een bijwoord. 

Slide 11 - Slide

Vragen?

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Link