Fictiedossier leerjaar 3 - Opdracht Poëzie

1 / 11
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 2

This lesson contains 11 slides, with text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Poëzie - Kenmerken (1)
Poëzie heeft een of meer van de volgende vormkenmerken:
• Een gedicht is verdeeld in versregels, die niet de hele bladzijde vullen.
• De regels staan in strofen bij elkaar met daartussen witregels.
• Soms wordt een strofe herhaald, vooral in liedteksten. Een herhaalde strofe heet
 refrein, de andere strofen zijn de coupletten.

Slide 2 - Slide

Poëzie - Kenmerken (2)
De kenmerken van de inhoud en de klank van poëzie zijn:
• Een gedicht gaat vaak over één gebeurtenis, moment of gevoel.
• In een gedicht komt soms rijm voor.
• Een gedicht heeft ritme, een afwisseling tussen lettergrepen met en zonder
 klemtoon. Je hoort dat goed als je het gedicht hardop leest.
• In gedichten komt vaak beeldspraak voor., humor, meidenverhaal (ook wel chicklit
 genoemd) en historisch verhaal.

Slide 3 - Slide

Poëzie - Rijm (1)
Een dichter kan op verschillende manieren woorden in een gedicht laten rijmen.
Rijmende woorden die in dezelfde regel staan, noem je binnenrijm.
Rijmende woorden aan het eind van regels noem je eindrijm.
Als eindrijm een bepaald patroon heeft, noem je dat een rijmschema.

Slide 4 - Slide

Poëzie - Rijm (2)
Gepaard rijm: telkens twee regels rijmen op elkaar (a-a-b-b).
Gekruist rijm: de regels rijmen om en om op elkaar (a-b-a-b).
Omarmend rijm: regel 1 en 4 rijmen op elkaar, daartussen rijmen regel 2 en 3 op
 elkaar (a-b-b-a).
Slagrijm: alle regels rijmen (a-a-a-a).
Gebroken rijm: een rijmschema wordt gedeeltelijk gebruikt (bijvoorbeeld a-b-c-b).

Slide 5 - Slide

Poëzie – Verbanden tussen strofen (1)
Bij Lezen heb je geleerd dat je aan signaalwoorden kunt zien op welke manier zinnen
en alinea’s met elkaar verbonden zijn. Dezelfde signaalwoorden en verbanden kun je
herkennen in gedichten.

Slide 6 - Slide

Poëzie – Verbanden tussen strofen (2)
Het verband tussen strofen is bijvoorbeeld:
• een opsomming: elke strofe is een onderdeel van een opsomming;
• een tegenstelling: de inhoud van de strofen staat tegenover elkaar, bijvoorbeeld
 een strofe over de dag en een strofe over de nacht;
• een herhaling: dingen komen in meerdere strofen terug, in letterlijk dezelfde
 woorden of zinnen of juist in andere woorden;
• een reden: een strofe legt uit wat de reden is van iets dat in een eerdere strofe
gezegd is

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Lever de opdracht in via de leertaak.

Succes!

Slide 11 - Slide