Module A2 DM

Module A2
Thema: de zorgvrager in de thuissituatie
De zorgvrager met Diabetes Mellitus
Periode 2 -
Thema 2 
De zorgvrager in de thuissituatie
1 / 33
next
Slide 1: Slide
VerpleegkundeMBOStudiejaar 2

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Module A2
Thema: de zorgvrager in de thuissituatie
De zorgvrager met Diabetes Mellitus
Periode 2 -
Thema 2 
De zorgvrager in de thuissituatie

Slide 1 - Slide

Programma
  • Leerdoelen
  • Terugblik Periode 1, feedback
  • Quiz thema 1
  • Hoorcollege Diabetes Mellitus
  • Vooruitblik - sleutelbegrippen toets
  • Voorbereiding 17 november


Slide 2 - Slide

Leerdoelen
  • De student kan de kenmerken, oorzaken, symptomen en behandelingen van de verschillende vormen van Diabetes Mellitus benoemen en uitleggen.

Slide 3 - Slide

Terugblik Periode 1
Thema 1: Chronische zorgvrager
Wat hebben we behandeld: Ziekte van Crohn, Colitis Ulcerosa, methodisch werken, levercirrose, cystitis & nierinsufficiëntie..

Hoe vonden jullie dat Periode 1 verliep?
Wat ging er goed? Wat kan er beter?

Slide 4 - Slide

Quizje Periode 1
Goede voorbereiding op de toets over twee weken!
Hint hint hint...

Slide 5 - Slide

De dunne darm bestaat uit...
A
Oesophagus, jejunum en ileum
B
Oesophagus, duodenum en ileum
C
Duodenum, jejunum en ileum
D
Duodenum, ileum en appendix

Slide 6 - Quiz

Welke problemen streden er NIET op bij een stoma?
A
Lekkages
B
Nare geur
C
Huidirritatie
D
Koorts

Slide 7 - Quiz

Welke overeenkomst past NIET bij de ziekte van Crohn en Colitis Ulcerosa?
A
Chronische darmontsteking
B
Gewrichtsproblemen
C
Start vaak op jonge leeftijd
D
Begint altijd in het rectum

Slide 8 - Quiz

Wat is de eerste stap voor het opstellen van een verpleegplan?
A
Uitvoeren zorg
B
Monitoren
C
Evalueren
D
Gegevens verzamelen

Slide 9 - Quiz

Welke van de onderstaande interventies is een vorm van monitoren?
A
Adl zorg
B
Uitvoeren lichamelijks controles
C
Fysiotherapie
D
Medicijnen verstrekken

Slide 10 - Quiz

De zorgvrager heeft levercirrose, een dikke buik en is versuft. Je moet Dhr een klysma geven maar hij was zojuist incontinent van ontlasting. Wat doe je?
A
Lactulose klysma niet geven
B
Lactulose klysma wel geven
C
Iets vragen aan de dokter om de ontlasting steviger te laten maken.

Slide 11 - Quiz

Wat is een veelvoorkomend symptoom van nierinsufficiëntie?
A
Verhoogde urineproductie
B
Gezwollen enkels en voeten
C
Verhoogde eetlust
D
Verhoogde energie

Slide 12 - Quiz

Module A2
Thema: de zorgvrager in de thuissituatie
De zorgvrager met Diabetes Mellitus
Diabetes Mellitus

Slide 13 - Slide

Wat weet je over Diabetes Mellitus?

Slide 14 - Mind map

Diabetes Mellitus
Diabetes Mellitus is een chronische stofwisselingsziekte (auto-immuunziekte)  waarbij het glucosegehalte in het bloed te hoog is.

Het is één van de meest voorkomende chronische ziekten in Nederland. Het kan iedereen overkomen. 1,1 miljoen mensen hebben diabetes type 2 en ruim 100.000 mensen type 1.

Kenmerkend:
  • Verschillende vormen; type 1 en 2, zwangerschapsdiabetes
  • Defect aan de pancreas (alvleesklier). 
  • Veel dorst, veel plassen, zweten, gewichtsverlies, vermoeidheid & bewustzijnsverlies.

Bron: Diabetesfonds.nl

Slide 15 - Slide

Diabetes Mellitus
Wat is er normaal?
Als je eet, komt er suiker (glucose) in je bloed. Je lichaam gebruikt dat als energie.
Insuline is een hormoon dat helpt om die suiker in je cellen te krijgen.
Je kunt insuline zien als een sleutel die de deur van de cel openmaakt.

Wat gaat er mis bij diabetes?
Bij diabetes werkt die sleutel niet goed, of hij is er helemaal niet.
Daardoor blijft de suiker in je bloed zitten en kan het niet in de cellen.
Gevolg: te veel suiker in je bloed (hoge bloedsuiker).
Bron: Diabetesfonds.nl

Slide 16 - Slide

Type 1: 
Is een auto-immuunziekte waarbij de insulineproductie is verstoord door een fout in het afweersysteem. Om onbekende redenen vallen cellen van het afweersysteem de bètacellen in de alvleesklier aan en beschadigen die. Het lichaam kan dan onvoldoende insuline aanmaken voor eigen gebruik. Het gevolg is een stijging van de bloedglucosewaarde.  

Komt vaak op jonge leeftijd voor. 

Behandeling: levenslang insuline toedienen. 


Type 2: 
De alvleesklier produceert insuline, maar te weinig. Bovendien reageert het lichaam niet meer goed op insuline; het is er als het ware ongevoelig voor geworden. Hierdoor stijgt de bloedglucosewaarde in het bloed. 

Ontstaat meestal op volwassen leeftijd. 

Risicofactoren: overgewicht, weinig beweging, ongezonde voeding. 

Behandeling: leefstijl aanpassen, medicatie, soms insuline.

Slide 17 - Slide

Zwangerschapsdiabetes
Zwangerschapsdiabetes is een tijdelijke vorm van diabetes.  Tijdens de zwangerschap reageert het lichaam tijdelijk minder goed op het hormoon insuline dat de bloedsuiker regelt.

Bij zwangerschapsdiabetes hebben zowel de moeder als het kind in de toekomst een verhoogd risico op diabetes type 2.

Bron: Diabetesfonds.nl

Slide 18 - Slide

Insuline
Glucose wordt via het bloed naar de cellen vervoerd en is nodig voor energie. De hoeveelheid glucose in het bloed wordt geregeld door hormonen, vooral door insuline uit de alvleesklier. Insuline zorgt dat glucose vanuit het bloed de cellen in kan. Zonder insuline blijft glucose in het bloed, krijgen cellen geen energie en wordt men moe.

Slide 19 - Slide

Pancreas
(alvleesklier)
De pancreas (alvleesklier) is een orgaan in de buik dat twee belangrijke functies heeft:

  1. Spijsvertering (exocriene functie):
    maakt enzymen die helpen bij het afbreken van vetten, eiwitten en koolhydraten in de darmen.
  2. Hormonen (endocriene functie):
    produceert insuline en glucagon om de bloedsuikerspiegel te regelen.

De pancreas helpt bij verteren en suikerbalans in het lichaam.

Slide 20 - Slide

Hyperglycemie

Hyper = te hoog (<10 mmol/l)

Signalen: veel plassen, erge dorst hebben houden, droge tong, vermoeid, lusteloos, plotseling humeurig, wazig zien, veel honger, misselijkheid, braken, slecht en futloos voelen.


Hypoglycemie 

Hypo = te laag  (<4 mmol/l)

Signalen: Zweten, trillen, hartkloppingen, duizelig, concentratieproblemen, hoofdpijn, hartkloppingen, moe zijn, tintelingen in bijvoorbeeld handen/voeten, geïrriteerdheid, agressiviteit, wisselende stemmingen en uiteindelijk bewusteloosheid.


Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

Soorten insuline
Meest voorkomende insuline soorten:
  • Kortwerkende insuline (werkt 6 tot 8 uur na toediening) – Novorapid. 
  • Langwerkende insuline (werkt heel geleidelijk voor ongeveer 24 uur) – Lantus , Detemir, Tresiba. 
  • Mix-insulines (combinatie van andere soorten, troebele vloeistof) – Novomix, Mixtard

Slide 23 - Slide

Complicaties
Te hoge bloedsuikers beschadigen bloedvaten en zenuwen.
Gevolgen: 
  • diabetische voet, 
  • neuropathie, 
  • retinopathie, 
  • schade aan nieren, 
  • hersenenbeschadiging
  • hart- en bloedvaten

Ernstige complicatie = keto-acidose

Slide 24 - Slide

Keto-acidose
Insuline regelt dat glucose uit het bloed in de cellen komt, anders blijft de glucose in het bloed zweven.
Geen suiker in de cellen → lichaam zoekt een andere brandstof ==> vet.

Vetverbranding maakt ketonen. Ketonen zijn een soort zuur. Een beetje is niet erg, maar als er veel komen, wordt het bloed zuur. Dat heet acidose.

Als je ziek bent of je weet nog niet dat je diabetes hebt gaat het lichaam vet verbranden. Je ben moe, moet veel dorst, moeite met eten, gewichtsverlies en je adem ruikt naar aceton
Dan is daar acuut gevaar. Je lichaam is aan het overleven. IC opname noodzakelijk. 

Slide 25 - Slide

Voorkomen
Iedereen kan diabetes type 2 krijgen. En dat kan grote gevolgen hebben. De helft van de mensen met diabetes krijgt gezondheidsproblemen. Bijvoorbeeld blijvende schade aan hart en vaten, ogen, voeten en nieren. Verklein je risico op diabetes:
  • Gezonde voeding en matig alcohol.
  • Beweging
  • Let op je gewicht
  • Niet roken

Slide 26 - Slide

Hoeveel vormen van diabetes zijn er?
A
1
B
2
C
3
D
Meer dan 3.

Slide 27 - Quiz

1. Bij DM type 2 is het lichaam minder gevoelig geworden voor insuline.

2. Bij DM type 1 is er sprake van een absoluut tekort aan insuline
A
1 is waar, 2 is niet waar
B
1 is niet waar, 2 is waar
C
Beide stellingen zijn niet waar
D
Beide stellingen zijn waar

Slide 28 - Quiz

Een hypoglycaemie betekent dat de zorgvrager een te hoge bloedsuiker heeft.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 29 - Quiz

Op welke manier wordt insuline toegediend?
A
Intramusculair
B
Intraveneus
C
Subcutaan
D
Rectaal

Slide 30 - Quiz

Insuline is een...
A
Hormoon
B
Medicijn
C
Voedingsstof
D
Afbraakproduct

Slide 31 - Quiz

Voorbereiding Open boek toets
Formatieve toets Thema 1 & 2 
  • Toets toegankelijk in de D-week van maandag 30 maart 08:00 uur  tot vrijdag 3 april  17:00 uur.
  • 120 minuten de tijd.
  • 65% vereist om te slagen.
  • 2 pogingen.
  • Meerkeuze en volgorde vragen.
  • Lees de vraag goed, streep daarna de absoluut fouten antwoorden weg. 
  • Neem vooraf het document 'Begrippenlijst' nog even door en zoek waar nodig op. 
  • Vragen gaan over theorie ThiemeMeulenhoff & PowerPoint presentaties lessen. 

Slide 32 - Slide

Voorbereiding 25 maart

  • Neem de presentatie: P6 - Week 1 Hypo en hyperthyroïdie student door.
  • Maak nu 4 groepjes.
  • Ieder groepje kijk 1 filmpje maak vervolgens opdracht: P6 - Week 1 - Opdracht - Leven met hypo en hyperthyreoïdie. 
  • En lever deze in in de inlevermap!


Slide 33 - Slide