Klare taal!
Les 3 & 4
persoonlijke voornaamwoorden en verwijswoorden
Klare taal!
Les 3 & 4
persoonlijke voornaamwoorden en verwijswoorden
Je leert wat enkelvoud en meervoud is.
Je leert wat een persoonlijk voornaamwoord is.
Je leert wat een verwijswoord is.
Lesdoelen
Elke zin heeft een onderwerp en een werkwoord.
Wat is een onderwerp ?
Wat is een werkwoord ?
Herhaling les 2
In een gewone zin komt eerst het onderwerp en daarna het werkwoord.
Wat is een vraagzin ?
In een vraagzin komt eerst
het werkwoord en daarna
het onderwerp.
Persoonlijk voornaamwoord
enkelvoud = 1
ik
jij
hij
zij
u
Persoonlijk voornaamwoord
enkelvoud
ik
jij
hij
zij
u
= voor jezelf
= voor mannen / jongens
= voor vrouwen/ meisjes
= voor volwassenen
= voor kinderen en vrienden
hij / zij
Je zegt hij als je over één man of jongen praat.
👉 Hij is mijn broer.
Je zegt zij als je over één vrouw of meisje praat.
👉 Zij is mijn zus.
⚠️ Belangrijk: hij en zij gebruik je dus alleen bij één persoon.
Maak nu opdracht 1 & 2
Samen opdracht 3
Kijkt hij televisie? - Karel = man
Leest hij een boek? - Stefan = man
Zit zij binnen? - Jenny = vrouw
Loopt zij buiten? - Aisha = vrouw
Leert hij Nederlands? - Josef = man
Persoonlijk voornaamwoord
meervoud = meer
wij
jullie
zij
u
Persoonlijk voornaamwoord
meervoud
wij
jullie
zij
u
= ik + jij
ik + hij/zij
ik + jij + hij/zij
= jij + jij + jij
= u + u + u
= twee of meer mensen
Maak nu opdracht 4 & 5
Extra: opdracht 6
verwijswoorden
hij
het
je
we
ze
verwijswoorden
Het verwijswoord voor dingen is hij.
verwijswoorden
Het verwijswoord voor het-woorden is het.
verwijswoorden
In plaats van jij wordt meestal je gebruikt.
In plaats van wij wordt meestal we gebruikt.
In plaats van zij wordt meestal ze gebruikt.
Maak nu opdracht 1 & 2
samen opdracht 3 & 4
x Zij hangt de lakens aan de waslijn.
v
x Hij houdt van muziek.
v
x Hij heeft honger.
extra: opdracht 5
Je weet nu wat enkelvoud en meervoud is.
Je weet nu wat een persoonlijk voornaamwoord is.
Je weet nu wat een verwijswoord is.
Lesdoelen