Klare taal: les 3 & 4- persoonlijke voornaamwoorden

Klare taal! 

Les 3 & 4

 persoonlijke voornaamwoorden en verwijswoorden

1 / 21
next
Slide 1: Slide
New lesson editorTaalISK

This lesson contains 21 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Klare taal! 

Les 3 & 4

 persoonlijke voornaamwoorden en verwijswoorden

  • Je leert wat enkelvoud en meervoud is.

  • Je leert wat een persoonlijk voornaamwoord is.

  • Je leert wat een verwijswoord is.

Lesdoelen

Elke zin heeft een onderwerp en een werkwoord. 


  • Wat is een onderwerp ?

  • Wat is een werkwoord ?

Herhaling les 2

In een gewone zin komt eerst het onderwerp en daarna het werkwoord.



Wat is een vraagzin ?



  • In een vraagzin komt eerst
    het werkwoord en daarna
    het onderwerp.

Persoonlijk voornaamwoord

enkelvoud = 1

ik

jij

hij

zij

u

Persoonlijk voornaamwoord

enkelvoud

ik

jij

hij

zij

u

= voor jezelf

= voor mannen / jongens

= voor vrouwen/ meisjes

= voor volwassenen

= voor kinderen en vrienden

hij / zij

Je zegt hij als je over één man of jongen praat.

👉 Hij is mijn broer.


Je zegt zij als je over één vrouw of meisje praat.

👉 Zij is mijn zus.


⚠️ Belangrijk: hij en zij gebruik je dus alleen bij één persoon.


Maak nu opdracht 1 & 2


Samen opdracht 3

  1. Kijkt hij televisie? - Karel = man

  2. Leest hij een boek? - Stefan = man

  3. Zit zij binnen? - Jenny = vrouw

  4. Loopt zij buiten? - Aisha = vrouw

  5. Leert hij Nederlands? - Josef = man

Persoonlijk voornaamwoord

meervoud = meer

wij

jullie

zij

u

Persoonlijk voornaamwoord

meervoud

wij

jullie

zij

u

= ik + jij

ik + hij/zij

ik + jij + hij/zij

= jij + jij + jij

= u + u + u

= twee of meer mensen


Maak nu opdracht 4 & 5


Extra: opdracht 6

verwijswoorden

hij

het

je

we

ze


verwijswoorden

Het verwijswoord voor dingen is hij.


verwijswoorden

Het verwijswoord voor het-woorden is het.


verwijswoorden

In plaats van jij wordt meestal je gebruikt.

In plaats van wij wordt meestal we gebruikt.

In plaats van zij wordt meestal ze gebruikt.


Maak nu opdracht 1 & 2


samen opdracht 3 & 4

  1. x Zij hangt de lakens aan de waslijn.

  2. v

  3. x Hij houdt van muziek.

  4. v

  5. x Hij heeft honger.


extra: opdracht 5

  • Je weet nu wat enkelvoud en meervoud is.

  • Je weet nu wat een persoonlijk voornaamwoord is.

  • Je weet nu wat een verwijswoord is.

Lesdoelen