Cap 4 - les 2 => lln

¡Bienvenid@s a clase!
'Sano como una manzana' 
capítulo 4
clase 2 
1 / 28
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

¡Bienvenid@s a clase!
'Sano como una manzana' 
capítulo 4
clase 2 

Slide 1 - Slide

Plan de clase
1. anuncios leestoets  
2. continuamos con capítulo 4:
*activar vocabulario
+
* gramática: Pronombres Personales:
complemento DIRECTO (lv) + complemento INDIRECTO (mv)

Slide 2 - Slide

¿Qué tal la prueba de lectura?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Leestoets - anuncios
-inzagemomenten => deze vr 15:00-15:30uur
-cesuur (dus cijfer) nog te bepalen




timer
10:00
Online leerlingen: 
- quizlet 4.1 + 4.2
-edpuzzle: klik hier

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Link

Paso Adelante
Capítulo 4 

Slide 6 - Slide

¡Sano como una manzana!
¿Qué significa esto en holandés?
timer
0:30

Slide 7 - Open question

1. La salud

Slide 8 - Mind map

sentirse
el dolor
la fiebre
¡que te mejores!
el cuerpo
la pierna
el médico
faltar
zich voelen
de pijn
de koorts
beterschap
het lichaam
het been
de arts
missen/ontbreken

Slide 9 - Drag question

El médico
el dolor
sano
¡Qué te mejores!
El cuerpo
La fiebre
Me duele(n)...
La cabeza
¿Qué te pasa?
Me siento...
Te sientes
de dokter
het lichaam
jij voelt je
ik voel me
de pijn
wat is er aan de hand?
de koorts
het hoofd
beterschap
gezond
mij doet / doen zeer....

Slide 10 - Drag question

Quizlet: ¡Qué se mejore!
A
Beterschap!
B
Het beste!
C
Komt goed!
D
Gezondheid!

Slide 11 - Quiz

Quizlet: ¿Qué te pasa?
A
Waar heb je pijn?
B
Hoe voel je je?
C
Wat is er met je aan de hand?
D
Gaat het goed met je?

Slide 12 - Quiz

Quizlet: Me siento fatal
A
Ik ben doodziek
B
Ik voel me belabberd
C
Ik voel me prima
D
Ik voel me niet zo lekker

Slide 13 - Quiz

Quizlet: Me duele la cabeza
A
Ik heb buikpijn
B
Ik heb hoofdpijn
C
Ik heb koorts
D
Ik heb je griep

Slide 14 - Quiz

Quizlet: Tengo mucho dolor
A
Ik ben heel misselijk
B
Ik ben heel ziek
C
Ik heb veel pijn
D
Ik ben heel moe

Slide 15 - Quiz

Vraag - antwoord
Ben je ziek?
Ja, ik voel  me belabberd
Wat is er met je aan
de hand?
Ik  heb koorts. 
En ik heb hoofdpijn.
Beterschap
Dank je wel

Slide 16 - Slide

2. Gramática: pronombres personales (fuente D)

1. complemento DIRECTO (lv)
2. complemento INDIRECTO (mv)

Slide 17 - Slide

Wat is het lijdend voorwerp in de zin: "Ik geef hem een cadeau"?
A
Ik
B
geef
C
hem
D
een cadeau

Slide 18 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp in de zin: "Ik geef hem een cadeau"?
A
Ik
B
geef
C
hem
D
een cadeau

Slide 19 - Quiz

Wat is het rijtje van voornaamwoorden dat voor het werkwoord gustar komt te staan?
Noteer het rijtje (zonder hoofdletters en leestekens)

Slide 20 - Open question

¿Cuáles son los pronombres personales de complemento indirecto?

Me = (aan) mij
Te = (aan) jou
Le = (aan) hem/haar/u enkelvoud
Nos = (aan) ons
Os = (aan) jullie
Les = hun (aan hen)/ u meervoud 
*Aan denk je erbij, maar schrijf je er niet bij

Slide 21 - Slide

Pronombres personales: complemento DIRECTO + complemento INDIRECTO
Instrucciones
1. mira el video y haz apuntes
2. comparte el contenido con tu compañero
3. responde juntos a las preguntas:
- welke pronombres personales komen voorbij in de videos?
- wat betekenen ze? maak het rijtje van de CI + het rijtje van de CD
- wat is het verschil tussen het complemento directo en het complemento indirecto?
- lees fuente D (libro de texto) en maak opdracht 13 + 14 (libro de ejercicios)

Grupo 1: video (NL). Grupo 2: video (Esp)
timer
15:00
Leerlingen thuis: bekijk beide videos en beantwoord de vragen in je schrift

Slide 22 - Slide

¿Cómo se escribe una frase con un pronombre personal de complemento indirecto (CI)?
La frase: "Compro un regalo para Juan."

1. Compro = ik koop
2. ¿Qué compro? = un regalo = een cadeau = lijdend voorwerp
3. ¿Para quién compro un regalo? = para Juan = voor Juan = meewerkend voorwerp

Slide 23 - Slide

¿Cómo se escribe una frase con un pronombre personal de complemento indirecto (CI)?
La frase: "Compro un regalo para Juan."

4. Para Juan vervang je door le = pronombre personal de CI
5. El pronombre personal de CI plaats je voor de persoonsvorm of achter een heel werkwoord
6. => Le compro un regalo para Juan. 

Slide 24 - Slide

Wat zijn de pronombres personales de CI voor mij, ons en hun?
A
me, te, les
B
me, os, les
C
le, nos, les
D
me, nos, les

Slide 25 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin?
Te escribo una carta.
A
te
B
escribo
C
carta
D
una carta

Slide 26 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin?
El profesor nos explica la gramática.

Slide 27 - Open question

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin?
Escribo una carta a mi madre.

Slide 28 - Open question