Informatie zoeken op internet 1

1 / 25
next
Slide 1: Slide
New lesson editorAlfabetisering NT2ISK

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

This item has no instructions

Zijn we er allemaal?


Is je telefoon thuis of in de kluis?


Heb je je spullen klaarliggen?


Heb je je huiswerk gemaakt?

De afspraken

This item has no instructions

Informatie zoeken op internet

Open met een herkenbare situatie: je wilt iets weten en je zoekt het op je telefoon of computer. Houd de les praktisch en stap voor stap.

Lesdoel

Ik kan stap voor stap informatie zoeken op internet.

This item has no instructions

Welke woorden ken je al over zoeken op internet?

Verwachte woorden: vraag, antwoord, Google, link, site, lezen, informatie. Gebruik de antwoorden om voorkennis te activeren.

Wat is informatie?

  • Informatie = iets wat je wilt weten

  • Je zoekt een antwoord op een vraag

  • Je moet goed lezen wat er staat

Leg eenvoudige voorbeelden uit, zoals: 'Hoe laat vertrekt de bus?' of 'Wat eet een kat?'. Koppel steeds vraag aan antwoord.

Eerst maak je een vraag

  • Denk: wat wil ik weten?

  • Maak een korte, duidelijke vraag

  • Gebruik belangrijke woorden

  • Voorbeeld: weer Amsterdam vandaag

Benadruk dat hele lange zinnen niet nodig zijn. Zoekwoorden zijn vaak beter dan een volledige zin op dit niveau.

Waar zoek je?

  • Je zoekt vaak met een zoekmachine

  • Een zoekmachine zoekt op internet

  • Voorbeelden: Google, Bing

Text

Gebruik het woord zoekmachine meerdere keren en laat eventueel het pictogram of startscherm zien.

Stap voor stap zoeken

Vraag maken → woorden typen → zoeken → lezen → antwoord vinden

Dit is de kern van de les. Herhaal deze volgorde rustig en laat leerlingen de woorden herkennen.

Waar zoek je vaak informatie op internet?

A

in een zoekmachine

B

in een schrift

C

in een tas

D

in een boekenkast

Sluit aan bij de slides over vraag maken, zoekmachine en stap voor stap zoeken.

Zet de juiste woorden op de goede plek

Eerst maak je een vraag. Dan typ je woorden in een zoekmachine. Daarna ga je zoeken en lees je het antwoord.

vraag
zoekmachine
zoeken
link
site
informatie
knop

Controleer of leerlingen de volgorde herkennen: vraag maken, zoekmachine gebruiken, zoeken.

Wat zie je na zoeken?

  • Je ziet een lijst met resultaten

  • Elk resultaat kan een site zijn

  • Je kiest een site die past bij jouw vraag

Noem 'resultaten' mondeling, maar houd op de slide de focus op site. Wijs aan dat niet elk resultaat hetzelfde is.

Wat is een link?

  • Een link is een aanklikbare tekst of knop

  • Met een link ga je naar een andere pagina

  • Zo kom je op een site met informatie

Laat zien dat een link vaak blauw of onderstreept is, maar zeg erbij dat dit kan verschillen per site.

Lezen op een site

  • Lees rustig

  • Zoek de belangrijke woorden

  • Kijk of de tekst antwoord geeft op jouw vraag

Benadruk dat leerlingen niet alles hoeven te lezen. Ze mogen scannen op bekende woorden.

Past de informatie?

  • Gaat de tekst over jouw onderwerp?

  • Is het antwoord duidelijk?

  • Zo niet: ga terug en kies een andere link

Leg uit dat zoeken soms nog een keer moet. Dat is normaal en hoort bij informatie zoeken.

Wat is een link?

A

een lange tekst

B

een zoekmachine

C

een aanklikbare knop

D

een moeilijke vraag

De foutopties komen uit woorden uit de les: tekst, zoekmachine en vraag.

Vul de woorden in

Na het zoeken zie je een lijst met resultaten. Je kiest een site die past bij jouw vraag. Met een link ga je naar een andere pagina. Daar moet je goed lezen.

resultaten
site
link
lezen
antwoord
zoekmachine
onderwerp
knop

Alle woorden komen direct uit de uitleg over resultaten, site, link en lezen.

Wat doe je als de site niet bij jouw vraag past?

Bespreek klassikaal: een goed antwoord noemt dat je kijkt of de tekst over jouw onderwerp gaat, of het antwoord duidelijk is, en dat je anders teruggaat en een andere link kiest.

Een kort voorbeeld

  • Vraag: Wat eet een kat?

  • Zoeken: kat eten

  • Link openen

  • Lezen en antwoord vinden

Gebruik een eenvoudig, neutraal voorbeeld. Laat zien dat zoekwoorden kort zijn en dat lezen nodig blijft.

Belangrijke woorden

informatie - wat je wilt weten

vraag - iets wat je wilt weten

antwoord - wat je vindt op je vraag

zoekmachine - een programma dat zoekt op internet

link - aanklikbare tekst of knop

site - een plek op internet

lezen - kijken naar tekst om iets te begrijpen

This item has no instructions

Welke zoekwoorden passen bij: Wat eet een kat?

A

kat eten

B

de kat eet vandaag

C

ik heb een kat

D

waar slaapt kat

Test of leerlingen korte zoekwoorden herkennen in plaats van een lange zin.

Maak de tekst compleet

Je zoekt informatie omdat je een vraag hebt. Op internet lees je een tekst en vind je een antwoord. Een site is een plek op internet.

informatie
vraag
antwoord
site
link
zoeken
woorden
programma

Herhaling van de kernwoorden van de les.

Wat heb jij geleerd in deze les?

This item has no instructions

Wat vond jij moeilijk in deze les?

This item has no instructions

Welk woord uit de les onthoud jij?

Laat leerlingen een woord kiezen zoals link, site, vraag, antwoord of zoekmachine.