4V P3 Les 3

4VWO

Martes, 9 de marzo

1 / 23
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

4VWO

Martes, 9 de marzo

Slide 1 - Slide

              ¿Qué vamos a hacer?

* los deberes de hoy (tarea de escritura)
* explicación: el objeto directo (lijdend voorwerp)
* practicar con el objeto directo
* examenbundel HAVO 2018 Texto 2

Slide 2 - Slide

Hoe vind je het lijdend voorwerp in een zin?
Door de vraag te stellen:

                                Wie/wat + persoonsvorm +onderwerp?

Ik wil olijven.                               Wat wil ik? = olijven
Ik neem de fiets.                       Wat neem ik? = de fiets
Jij kijkt veel Netflix series.    Wat kijk jij? =  veel Netflix series
Jullie maken huiswerk.          Wat maken jullie? het huiswerk

Slide 3 - Slide

Waarom vervangen we het lijdend vw door een persoonlijk vnw?
                 Om onnodige herhaling te voorkomen.


Ik koop een boek, ik lees het boek, ik verkoop het boek.

Als je in bovenstaand voorbeeld weet dat 'het boek' het LV is, kun je deze in de overige zinnen vervangen door een persoonlijk voornaamwoord.

Ik koop een boek, ik lees het en verkoop het.

Slide 4 - Slide

Lijdend voorwerp veranderen in 
een persoonlijk voornaamwoord 
  • De persoonlijk voornaamwoorden staan voor de persoonsvorm. 
  • Mannelijke woorden herken je aan de lidwoorden (el/los)
  • Vrouwelijke woorden herken je aan de lidwoorden (la/las)
  • Er staat niet altijd een lidwoord in de zin. Mannelijke woorden eindigen vaak (niet altijd) op -o of -or. vrouwelijke woorden op -a, -dad of -ción.
enkelvoud
meervoud
mannelijk
lo
los
vrouwelijk
la
las

Slide 5 - Slide

Lijdend vw --> lo, la, los, las
Het lijdend voorwerp kan in het Spaans vervangen worden door lijdende voornaamwoorden. Er zijn er vier:
 


Voorbeelden:

Slide 6 - Slide

Juan toma el autobús al centro.

A
Juan
B
toma
C
el autobús
D
centro

Slide 7 - Quiz

Hoy Carlos come un bocadillo de jamón.


A
Hoy
B
Carlos
C
come
D
un bocadillo de jamón

Slide 8 - Quiz

Tengo que comprar sellos.
... tengo que comprar.

A
la
B
lo
C
las
D
los

Slide 9 - Quiz

Vamos a practicar

Slide 10 - Slide

¡A practicar!
1. ¿Dónde está la leche? 
 - Pues, yo no ___ tengo. ¿____ tienes tú?

2. ¿Compras tú el pan para la fiesta? 
 - Sí, ____ compro en la panadería.

3. ¿Compramos las tartas aquí? 
 - No, son muy caros. ____ compramos en el mercado.

4. ¿Cómo quieres los zumos, con pulpa? 
 - Pues ___ prefiero sin pulpa. 

Slide 11 - Slide

¡A practicar!
1. ¿Dónde está la leche?   (vrouwelijk enkelvoud)
 - Pues, yo no la tengo. ¿La tienes tú?

2. ¿Compras tú el pan para la fiesta?  (mannelijk enkelvoud)
 - Sí, lo compro en la panadería.

3. ¿Compramos las tartas aquí? (vrouwelijk meervoud)
 - No, son muy caros. las compramos en el mercado.

4. ¿Cómo quieres los zumos, con pulpa? (mannelijk meervoud)
 - Pues los prefiero sin pulpa. 

Slide 12 - Slide

Let op: de objeto directo komt 
voor de persoonsvorm 

Slide 13 - Slide

Let op: de objeto directo komt 
voor de persoonsvorm 
Ahora los hago
Mis amigos y yo mañana las vemos.
Alicia lo compra para su hermana. 
Álex y Pedro lo toman todos los días. 
Sara no las encuentra.
¿Lo tienes?
Mañana no los hago porque estoy enfermo. 
María la cierra a las nueve. 

Slide 14 - Slide

El objeto directo
Wat is een lijdend voorwerp?

Ejemplo: yo compro un regalo para mi abuela

Hoe vind je het lijdend voorwerp in het Spaans?
het antwoord op de vraag wie of wat + onderwerp + (werkwoordelijk) gezegde
un regalo = lijdend voorwerp
Dit vind je door in het Spaans een vraag te stellen die begint met het woord ‘qué’ of 'a quién'.

Slide 15 - Slide

¿Necesitas más explicación?
Mira el vídeo en el próximo slide --> 

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Video

Geef het juiste pers. vnw. als lijdend voorwerp.
Compro el bolso en la tienda
A
los
B
la
C
el
D
lo

Slide 18 - Quiz

Elisa compra una silla para la playa.
Wat is het lijdend voorwerp?
A
Elisa
B
compra
C
una silla
D
la playa

Slide 19 - Quiz

¿Quién compra las naranjas?
A
Yo las compro
B
Los compro yo
C
Yo los compro

Slide 20 - Quiz

¿Quiere probar el pollo, señor Hezel?
A
Si, quiero lo probar
B
Si, querer lo probar
C
Si, lo quiero probar

Slide 21 - Quiz

Quiero aceitunas
A
¿Los quiere verdes o negras?
B
¿Las quiere verdes o negras?

Slide 22 - Quiz

    Lees nu TEXTO 2 Examen Havo 2018 en maak de vragen
Voer je antwoorden in via Its Learning toetsapp 

Slide 23 - Slide