tegenargumenten en weerleggingen H4 NN les 1

Lezen
timer
10:00
1 / 19
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Lezen
timer
10:00

Slide 1 - Slide

31 januari 2022
Deze week beginnen we aan hoofdstuk 4, we beginnen met Lezen.
Open de LessonUp en log in met de klascode mtpea

Slide 2 - Slide

argumenten en tegenargumenten 

Slide 3 - Slide

Lesdoelen
Aan het eind van de lessenserie kun je: 
- onderscheid maken tussen standpunten, argumenten en tegenargumenten
- een argumentatie met tegenargumenten weergeven in een schema

Slide 4 - Slide

Tegenargumenten
Om iemands mening aan te vallen kun je op twee manieren te werk gaan:

Slide 5 - Slide

Je valt zijn standpunt aan.
Deze tactiek heeft het meest zin bij feitelijke argumenten die waar zijn; die zijn namelijk niet te weerleggen, dus val je het standpunt aan.

 
Ik doe liever geen eindexamen (standpunt), want als ik slaag moet ik naar een andere school (feitelijk argument).
Ik heb juist wel zin in het examen (standpunt), want ik heb echt zin in een nieuwe opleiding (waarderend tegenargument)

Slide 6 - Slide

Je valt zijn argumentatie aan.
Deze tactiek is vooral bruikbaar bij de waarderende argumenten en bij argumenten die niet zo feitelijk zijn als de spreker/schrijver presenteert.

Ik doe liever geen eindexamen (standpunt), want ik kan niet goed tegen die spanning (waarderend argument).
Dan wordt het voor jou belangrijk om te leren omgaan met die spanning (tegenargument), dan ga jij ook graag examen doen (standpunt).

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Video

Slide 9 - Video

argumenten H3 NN

Objectief: feitelijke uitspraak
Voorbeeld: Ik ga liever niet mee naar Parijs (standpunt), want Parijs is een grote, dichtbevolkte stad (argument).

Subjectief: waarderende uitspraak (niet-feitelijke uitspraak)
Voorbeeld: Ik ga graag mee naar Parijs (standpunt), want Parijs heeft de mooiste musea van de hele wereld (argument).

Slide 10 - Slide

tegenargumenten  H4 NN
Met een tegenargument ontkracht je een standpunt:

Voorbeelden:
De kans is groot dat ze je na je overlijden als orgaandonor zullen gebruiken (standpunt); ze zitten immers te springen om donororganen (argument). 
Slechts één op de vijfduizend overledenen wordt gebruikt als orgaandonor (tegenargument). 


Ik wil niet meer naar Italië op vakantie (standpunt), want je kunt er in restaurants nauwelijks vegetarische gerechten krijgen (argument).
Wat een onzin: de Italiaanse keuken is juist beroemd om zijn groente- en kaasschotels (weerlegging).

Slide 11 - Slide

De kans is erg klein dat je iets wint bij de Postcodeloterij. Je kunt er beter niet aan deelnemen.
A
De eerste zin is het argument en het is een waarderende uitspraak.
B
De tweede zin is het argument en het is een waarderende uitspraak.
C
De eerste zin is het argument en het is een feitelijke uitspraak.
D
De tweede zin is het argument en het is een feitelijke uitspraak.

Slide 12 - Quiz

Ik denk dat Mark Rutte de verkiezingen gaat winnen. Hij is immers veruit de beste in de debatten.
A
De eerste zin is het argument en het is een waarderende uitspraak.
B
De tweede zin is het argument en het is een waarderende uitspraak.
C
De eerste zin is het argument en het is een feitelijke uitspraak.
D
De tweede zin is het argument en het is een feitelijke uitspraak.

Slide 13 - Quiz

Zijn er nog vragen?

Slide 14 - Slide

Opdracht

Bekijk het filmpje op de volgende slide  en noteer welke argumenten voor kernenergie en welke tegenargumenten voor kernenergie  in het filmpje van Lubach worden  gebruikt.


Slide 15 - Slide

Slide 16 - Video

Noem argumenten voor en argumenten tegen kernenergie uit het filmpje

Slide 17 - Open question

en nu......
maak de startopdracht van lezen H4 (blz. 108)

huiswerk voor morgen:
startopdracht en opdracht 1 maken 

Slide 18 - Slide

ik kan tegenargumenten uit een tekst halen
😒🙁😐🙂😃

Slide 19 - Poll