Les van 4 maart

Les van 4 maart
Wat gaan we doen?
- Spellingstoets;
- Figuurlijk taalgebruik;
Formeel taalgebruik
- Dictee;
- Spelling: start Thema 4;
-Banksy.
1 / 40
next
Slide 1: Slide
Nederlands8th Grade

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Les van 4 maart
Wat gaan we doen?
- Spellingstoets;
- Figuurlijk taalgebruik;
Formeel taalgebruik
- Dictee;
- Spelling: start Thema 4;
-Banksy.

Slide 1 - Slide

Dictee
We sluiten Thema 3 van spelling af met een dictee.  We doen dat zoals we dat altijd doen: ik lees alles eerst voor en jij typt alle woorden en zinnen en daarna druk je op 'send'.

Slide 2 - Slide


Slide 3 - Open question

Woordenschat
We gaan kijken naar de woordenschatwoorden bij de tekst "Zussenruzie".

Slide 4 - Slide

Woordenschat
Ga naar blz. 22 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 1.

Slide 5 - Slide

Woordenschat
Ga daarna naar blz. 23 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 2 en 3.

Slide 6 - Slide

Figuurlijk taalgebruik
Wat is figuurlijk taalgebruik ook alweer?

Kun je een voorbeeld noemen?

Slide 7 - Slide

Figuurlijk taalgebruik
Figuurlijk taalgebruik is het tegenovergestelde van letterlijk taalgebruik: het is geen feitelijke weergave, het is meer symbolisch bedoeld.


"Ik zie het door de vingers"
"Door het oog van de naald kruipen"
"Hij kookte van woede"

Slide 8 - Slide

Letterlijk taalgebruik
Bij letterlijk taalgebruik hebben woorden exact de betekenis die ze volgens het woordenboek hebben, zonder verborgen boodschap of beeldspraak. Het is de feitelijke weergave van de werkelijkheid, vaak gebruikt om misverstanden te voorkomen.

"Ik heb een blauwe plek"
"De soep is heet"

Slide 9 - Slide

Palindroon en anagram
Heb je hier ooit van gehoord?

Wat betekenen deze begrippen?

Slide 10 - Slide

Palindroom 
Het wordt ook wel een spiegelwoord of een keerwoord genoemd.


Dit woord blijft hetzelfde als je het van achteren naar voren leest,
Voorbeelden: kok, lepel, pap, raar, redder, anna en kak

Slide 11 - Slide

Palindroom zin 
Je kunt ook hele zinnen maken die een palindroom zijn.

Bijvoorbeeld:
• Nelli plaatst op ’n parterretrap ’n pot staalpillen.
• De mooie zeeman nam Anna mee, zei oom Ed.

Slide 12 - Slide

Anagram
Dit is een woord dat je kunt maken van alle letters van een ander woord

Een anagram is een woord dat volledig bestaat uit de letters van een ander woord.

Slide 13 - Slide

Anagram
Bijvoorbeeld :

Rooksein ↔ kniesoor

Velen: ↔ Leven, elven, nevel

Gum: ↔ Mug


Slide 14 - Slide

Even oefenen
Ga naar blz. 19 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 1.

Slide 15 - Slide

Even oefenen
Ga naar blz. 19 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 2.

Slide 16 - Slide

Even oefenen
Ga naar blz. 28 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak daar de "eerst proberen" oefening en daarna oefening 1.

Slide 17 - Slide

Klein dictee
We gaan weer even een klein dictee doen. We gaan even kijken wat je al weet van dit nieuwe thema (Thema 4).We doen dat zoals we dat altijd doen: ik lees alles eerst voor en jij typt alle en daarna druk je op 'send'.

Slide 18 - Slide


Slide 19 - Open question

Formeel en informeel taalgebruik
Wat is dit ook alweer?

Geef een voorbeeld

Slide 20 - Slide

Formeel en informeel taalgebruik
Hey, kun jij mij even mijn tas aangeven?

Meneer, mag ik u wat vragen? Zou u mij alstublief mijn tas willen aangeven?

Slide 21 - Slide

Jargon
Jargon oftewel vaktaal

Wat betekenen dit?

Dit is een taal van mensen in een bepaalde beroepsgroep. Het wordt ook wel ‘vaktaal genoemd’. Het helpt mensen binnen die groep om snel en efficiënt met elkaar te communiceren. Het is handig, want je collega's weten dan meteen waarover je het hebt.

Slide 22 - Slide

Jargon
In je opleiding leer je ze meestal al. Bijvoorbeeld in de zorg leer je dat hypertensie hoge bloeddruk betekent.

Bijvoorbeeld:
- Taal die door een arts wordt gesproken of een elektricien of op een schip

Slide 23 - Slide

Jargon
Voorbeelden:

Geef mij die kruiskopschroevendraaier eens even aan.

Beetje meer naar bakboord

Ik kan dan niet, ik moet zodadelijk naar zitting

Slide 24 - Slide

Even oefenen
Ga naar blz. 30 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 1.

Slide 25 - Slide

Even oefenen
Ga naar blz. 30 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak oefening 2.

Slide 26 - Slide

Even oefenen
Ga naar blz. 38 van je nieuwe Taalboek Thema 5 en maak daar de "eerst proberen" oefening en daarna oefening 1.

Slide 27 - Slide

Spelling
We gaan het weer hebben over leenwoorden.

Print dit schema uit en leer de woorden uit je hoofd.

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

Spelling weetwoorden
ambtenaar                                          bijna
snelheid                                               kangoeroe
puberteit                                             tenminste
tennissen                                            verrassing
onmiddelijk                                         audio

Slide 30 - Slide

Spelling weetwoorden
ambtenaar                                          bijna
snelheid                                               kangoeroe
puberteit                                             tenminste
tennissen                                            verrassing
onmiddellijk                                       audio

Slide 31 - Slide

Werkwoordspelling

We gaan nog even oefenen met de werkwoordspelling.

Slide 32 - Slide

Ik ........ het pakje op mijn bagagedrager.

A
bind
B
bint
C
bindt

Slide 33 - Quiz

Mijn moeder ........ (roepen) vijf minuten geleden dat we gingen eten.

Slide 34 - Open question

In de verte ........ een kampvuurtje.

A
flakkerd
B
flakkerdt
C
flakkert

Slide 35 - Quiz

Zij speelde de ........(vermoorden) onschuld.


Slide 36 - Open question

Ik ........ mijn afval: ik heb aparte bakken voor papier, plastic, tuinafval en glas.

A
scheidt
B
schijt
C
scheid
D
schijd

Slide 37 - Quiz

De groep olifanten kwam in beweging en ........ (doorwaden) de rivier.

Slide 38 - Open question

Een paar jaar geleden had ik nog nooit ........ . Nu doe ik het elke dag.






A
ge-Whatsapped
B
gewhatsappt
C
ge-Whatsappt
D
gewhatsapped

Slide 39 - Quiz

De hondentrainer heeft de puppy's bij hun nekvel ........ .

A
gepakd
B
gepak
C
gepakken
D
gepakt

Slide 40 - Quiz