This lesson contains 49 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 45 min
Report this lesson
Items in this lesson
4HV - wo. 20/11/2024
1. - Tout le monde est là?
2. Gele woordjes
3. Brieven schrijven : stencils
3. Uitleg: zinsvolgorde van Franse zinnen
4. Uitleg: vorm en plaats van het bijv. naamwoord
5. Maak de opdrachten 1 t/m 6 van de stencils
Slide 1 - Slide
Slide 2 - Slide
Gele woordjes
il y a = er is, er zijn ne ... rien = niets plus fort que = sterker(s) dan le monde = de wereld
la douceur = de zachtheid
Er is niets sterkers in de wereld dan zachtheid
Slide 3 - Slide
Woordvolgorde
- de woordvolgorde van Franse zinnen
Slide 4 - Slide
Les over: woordvolgorde
Slide 5 - Slide
Doel van de les
Je weet hoe de woordvolgorde in een Franse zin gaat
Je kunt zelf een Franse zin maken met de goede woordvolgorde.
Slide 6 - Slide
Kijk naar de volgende zinnen, wat valt je op aan de werkwoorden: Je mange une pomme = Ik eet een appel J'ai mangé une pomme = Ik heb een appel gegeten.
Slide 7 - Open question
Woordvolgorde in het Frans
In het Frans zet je alle werkwoorden bij elkaar.
Ik heb een appel gegeten J' ai mangé une pomme
Slide 8 - Slide
Woord-volgorde van zinnen:
onderwerp - alle werkwoorden - de rest van de zin
Slide 9 - Slide
Zet in de juiste volgorde: chante - je - une chanson
Slide 10 - Open question
Zet in de juiste volgorde: une question - elle - a - posé
Slide 11 - Open question
Zet in de juiste volgorde: une question - a - elle - hier - posé
Slide 12 - Open question
Woordvolgorde: tijd
Tijd: staat in het Frans aan het begin van de zin:
Tijd + onderwerp + alle werkwoorden+ de rest van de zin
Hier j'ai gagné le match.
Woordvolgorde
Slide 15 - Slide
Opdracht:
Zet de volgende woorden in de goede volgorde zodat er een Franse zin ontstaat:
Slide 16 - Slide
a - Marie - hier- dansé
Slide 17 - Open question
regardé - nous - la télevision - avons
Slide 18 - Open question
vendredi - j' - mangé - le poisson - ai
Slide 19 - Open question
Ik begrijp hoe de woordvolgorde in het Frans werkt. Ik moet misschien nog even spieken, maar ik snap het wel.
A
ja, ik begrijp het.
B
nee, helemaal niet.
Slide 20 - Quiz
het bijvoeglijk nw.
- vorm en plaats van het bijvoeglijk naamwoord
Slide 21 - Slide
't bijvoeglijk naamwoord
Het bijvoeglijk naamwoord is een woord dat iets zegt over een zelfstandig naamwoord. bv. : leuke, aardige, lieve, stomme, luie, idiote, schattige, enz.
Slide 22 - Slide
de vorm van 't bijvoeglijk naamwoord
Het bijv. nw. in het woordenboek, is de vorm die mannelijk e.v. is.
Om het vrouwelijk te maken, moet je daaraan eenE toevoegen. Het meervoud maak je door er een Sachter te zetten. Als een woord vrouwelijk meervoud is, hoort er ES bij.
bv. : le garçon idiot (mnl e.v.)
la fille idiote (vrl. e.v.)
les garçons idiots (mnl. mv)
les filles idiotes (vrl m.v.)
Slide 23 - Slide
mnl. ev.
vrl. ev.
mnl. mv.
vrl. mv.
-
+ e
+ s
+ es
bv.: klein = petit
petit
petite
petits
petites
Slide 24 - Slide
Slide 25 - Slide
bijzondere vormen (I) :
mnl ev.
vrl. ev.
mnl. mv.
vrl. mv.
mooi
beau
belle
beaux
belles
nieuw
nouveau
nouvelle
nouveaux
nouvelles
oud
vieux
vieille
vieux
vieilles
verliefd
amoureux
amoureuse
amoureux
amoureuses
woedend
furieux
furieuse
furieux
furieuses
nieuws-gierig
curieux
curieuse
curieux
curieuses
Slide 26 - Slide
bijzondere vormen (II) :
mnl ev.
vrl. ev.
mnl. mv.
vrl. mv.
lekker
bon
bonne
bons
bonnes
dik
gros
grosse
gros
grosses
wit
blanc
blanche
blancs
blanches
lang
long
longue
longs
longues
eerste
premier
première
premiers
premières
laatste
dernier
dernière
derniers
dernières
Slide 27 - Slide
Compris? (= begrepen?)
> heb je het begrepen? ( kijk anders nog even terug...) en dan gaan we nu een paar vraagjes doen: