Les 5 (26 september 2026, VO1)

Les 5 (26 september 2026, VO1) 
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecondary EducationAge 12

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Les 5 (26 september 2026, VO1) 

Slide 1 - Slide

Les 5 Wat doen we vandaag? 

1. Hoe ging het huiswerk? 
2. Oudste Nederlandse zin
3. Cursus 5 Grammatica - §5 werkwoordelijk gezegde 
4. Cursus 1 §2 Onderwerp en hoofdgedachte.   
5. Afsluiting

Slide 2 - Slide

Hoe ging het met huiswerk maken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Hoe lang duurde het huiswerk maken ongeveer?
minder dan 1.5 uur
meer dan 1.5 uur

Slide 4 - Poll

Oudste Nederlandse zin?

Slide 5 - Slide

‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu. Wat unbidan we nu?’
‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu. Wat unbidan we nu?’

Slide 6 - Slide

oudste nederlandse zin 
‘Alle vogels zijn aan hun nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten we nog op?’

Opgeschreven aan het eind van de 11e eeuw om een een pen (een nieuwe ganzeveer) te testen. De schrijver (een monnik) kwam waarschijnlijk uit het westen van het graafschap Vlaanderen, maar schreef het op in een klooster in Kent. 

Het Oudnederlands heeft zich waarschijnlijk vanaf het begin van de 5e eeuw ontwikkeld uit het West-Germaans. (2025 Canon van Vlaanderen). 

https://www.canonvanvlaanderen.be/events/hebban-olla-vogala/

Slide 7 - Slide

Wat is de persoonsvorm ook alweer?

- De persoonsvorm is altijd een werkwoord.
- (Bijna) Elke zin heeft een persoonsvorm.
- Elke zin heeft maar één persoonsvorm (behalve samengestelde zinnen!)  
-  Staat er maar één werkwoord in de zin? Dan is dat automatisch de persoonsvorm.
-  Als je er een vraagzin van maakt, komt de persoonsvorm vooraan. Door de zin van tijd of getal te veranderen kan je de persoonsvorm vinden. Het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm. 

Slide 8 - Slide

Hoe maak je zinsdelen?
Doe de zinsdeelproef: Probeer welke woorden je samen voor de persoonsvorm kunt zetten.
Kijk welke woorden altijd naast elkaar blijven staan als je de zin verandert.

- Na het zesde lesuur / mogen / de leerlingen / naar huis.
- De leerlingen / mogen / na het zesde lesuur / naar huis. 
- Naar huis / mogen / de leerlingen / na het zesde lesuur. 
- Naar / mogen / de leerlingen / huis / na het zesde lesuur.
- na het / mogen / de leerlingen / naar huis / zesde lesuur.

Slide 9 - Slide

Wat is de persoonvorm? "Mijn moeder doet elke woensdag boodschappen op de markt."

Slide 10 - Open question

Wat is de persoonvorm? "Op zondag ga ik altijd een heel eind wandelen met mijn hond."

Slide 11 - Open question

Werkwoordelijk gezegde (wg)
  • Alle werkwoorden in een zin vormen samen het werkwoordelijk gezegde (wg) (tenminste, als het een zin is waar het onderwerp iets doet of overkomt). 
  • Het werkwoordelijk gezegde zegt wat het onderwerp ‘doet’ of wat het onderwerp ‘overkomt’.
  • Soms bevat het werkwoordelijk gezegde maar één werkwoord (de persoonsvorm), soms zijn het er meer. 
  • Bij scheidbare werkwoorden horen alle stukjes van het werkwoord bij het werkwoordelijk gezegde.
    Bijvoorbeeld:
    – Thomas zet samen met Sofia de tent  op.
       pv = zet, wg = zet op (want het hele werkwoord is ‘opzetten’)

Slide 12 - Slide

Even controleren:
De persoonsvorm hoort altijd bij het werkwoordelijk gezegde.
A
juist
B
onjuist

Slide 13 - Quiz

Joris gaat vanavond skaten.

Persoonsvorm (pv) =
A
gaat
B
Joris
C
vanavond
D
gaat skaten

Slide 14 - Quiz

Joris gaat vanavond skaten.

Het werkwoordelijk gezegde (WG)=
A
gaat
B
Joris
C
vanavond
D
gaat skaten

Slide 15 - Quiz

Joris gaat vanavond skaten.

Het onderwerp (OW) =
A
gaat
B
Joris
C
vanavond
D
gaat skaten

Slide 16 - Quiz

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
'Peter heeft gisteren zijn scooterrijbewijs gehaald.'

A
heeft
B
heeft gehaald
C
gehaald
D
Er is geen werkwoordelijk gezegde

Slide 17 - Quiz

Nog even controleren:
Een werkwoordelijk gezegde bestaat altijd uit meerdere werkwoorden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 18 - Quiz

Morgen ga ik fietsen naar school.

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
ga
B
ga fietsen
C
fietsen

Slide 19 - Quiz

Cursus 1 §2 Onderwerp en hoofdgedachte.

Slide 20 - Slide

Onderwerp van een tekst
- Het onderwerp van een zin is...
- Het onderwerp van een tekst is waar de tekst over gaat. 
- Dit kun je vaak met  één woord zeggen, of met een paar woorden. 
- Het is handig om het onderwerp van de tekst te weten voordat je gaat lezen, want dan begrijp je sneller wat je leest. 

Slide 21 - Slide

Hoofdgedachte van een tekst
- De hoofdgedachte van een tekst is één volledige zin die het belangrijkste samenvat wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt. 
- Bij het onderwerp kleding kan de hoofdgedachte zijn: 
"We gooien steeds meer kleding weg", maar ook: "Via sociale media en internet kun je tegenwoordig gemakkelijk kleding ruilen".

Slide 22 - Slide

Wat is een hoofdgedachte (van een tekst)
A
een gedachte in je hoofd
B
samenvatting van de tekst in één zin
C
samenvatting van een tekst
D
de laatste zin van een tekst

Slide 23 - Quiz

Wat is het onderwerp van een tekst?
Het onderwerp van een tekst...
A
... vertelt in één woord waar de tekst over gaat
B
... vertelt wat het belangrijkste van de tekst is.
C
... vertelt wat iemand ergens van vindt.
D
... vertelt wat waar of niet waar is.

Slide 24 - Quiz

video
Filmpje 1 bij opdracht 4 en 5 in Cursus 1, par. 2. in de Noordhoff online leeromgeving. 

Slide 25 - Slide

Vocabulaire

Slide 26 - Slide

Vocabulaire

genderneutraal
genderbepaald
uniseks
prenataal 
delicaat

Ps. Een basisregel van het Nederlands is dat je samenstellingen aan elkaar schrijft (dus geen streepje).  ('gender' + 'neutraal' = 'genderneutraal')


Slide 27 - Slide

Vocabulaire

genderbepaald – voor jongens óf meisjes
genderneutraal – voor jongens én meisjes en andere genders
uniseks - met name gebruikt voor kleren: voor jongens én meisjes en andere genders
prenataal – vóór de geboorte
delicaat – verfijnd; mooi en licht


Ps. Let op de 'ks' in seks! bijna altijd zo in het Nederlands. 


Slide 28 - Slide

Huiswerk VO1
Huiswerk deze week:
▪ Cursus 1, §2 Onderw + hoofdgedachte: lees theorie en maak opdracht 1 (als je dat niet al in de les gemaakt hebt) en van opdracht 4 (maar alleen 4.3, 4.4, 4.5, 4.6. 
▪ Cursus 5 Grammatica §5 wwg: lees theorie en maak opdracht 2

Tot volgende week bij de online les! 


Slide 29 - Slide