Herhaling Grammatica woordsoorten

Lesplanning
* Planning periode 3:
- Schrijfopdracht Fictie D (2x)
- Spelling H1 t/m 6

*Presentatie:
Romana & Gizem

* Woordenschat: 
- Tekst van deze week lezen 
- Woordenschatoefeningen maken (huiswerk)
Let op!
Telefoon in de telefoonzak
1 / 35
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Lesplanning
* Planning periode 3:
- Schrijfopdracht Fictie D (2x)
- Spelling H1 t/m 6

*Presentatie:
Romana & Gizem

* Woordenschat: 
- Tekst van deze week lezen 
- Woordenschatoefeningen maken (huiswerk)
Let op!
Telefoon in de telefoonzak

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

15 minuten lezen 
timer
15:00

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Lesdoelen:

-  Je kan de woordsoorten herkennen 
- Je kan de theorie toepassen 

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

woordsoorten 

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Woordsoorten
Elk woord hoort bij een bepaalde woordsoort.

Ik loop naar school.
Ik =                                loop =
naar =                          school =

Aan de slag! 


Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn woordsoorten?
A
een groep woorden met dezelfde kenmerken
B
woorden met dezelfde functie in de zin

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Wat zijn lidwoorden (lw)?
A
de, het, een
B
achter, voor, naast
C
of, en, ene
D
over, onder, boven

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions


Kies de juiste woordsoort.
Gisteravond heb ik een film gekeken.
A
Zelfstandig werkwoord (zww)
B
Hulpwerkwoord (hww)

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

Woordsoorten: Sinterklaas is een ...
A
werkwoord
B
lidwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
zelfstandig naamwoord

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Wat is geen zn?
A
bladeren
B
Marco
C
Azië
D
mooie

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Een bijvoeglijk naamwoord zegt altijd iets over een zn en staat ook altijd voor een zn
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een ZN?
A
Hoofd
B
Geweldig
C
Jij
D
Wachten

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Wat is niet waar over het ZN?
A
Heeft een verkleinwoordje
B
Heeft enkelvoud en meervoud
C
Kan van tijd veranderen
D
Kun je een lidwoord voor zetten.

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Hoe herken je een zn?
A
Je kunt er een lidwoord voor zetten.
B
Door de zin langer te maken.
C
Door achterstevoren te lezen.
D
door te kijken of het alleen staat.

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Wat is BN: De vakantie was leuk.
A
leuk
B
de
C
vakantie
D
was

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een kenmerk van een bn?
A
Geeft een kenmerk of eigenschap
B
Kan in het enkelvoud of meervoud staan

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Een BN zegt iets over een …...
A
LW
B
ZN
C
WW

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een stoffelijk BN?
De …… tafel.
A
vierkante
B
verkleurde
C
houten
D
ruwe

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Een zww is....
A
een ww dat helpt om een gezegde te maken.
B
een ww dat iets aan het ow koppelt.
C
het belangrijkste ww in de zin.

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Hij heeft snoep uitgedeeld.
zww
A
heeft
B
uitgedeeld

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Hij is van zijn stoel gevallen.
zww?
A
is
B
gevallen

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

In een zin met een hww en een zww staat het zww altijd achteraan in de zin.
A
juist
B
onjuist

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Wanneer is een WW een ZWW?
A
Als er één WW in de zin staat
B
Als er twee WW in de zin staan
C
Als er drie WW in de zin staan
D
Als er vier WW in de zin staan

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

De persoonsvorm is altijd een hww.
A
juist
B
niet juist

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Ik heb altijd al willen vliegen.

HWW=
A
ik heb
B
altijd al
C
vliegen
D
heb willen

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Ik loop naar de stad.

HWW=
A
loop
B
de
C
er zit geen HWW in deze zin.
D
stad

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Hij is naar huis gegaan.
Wat is het hww?
A
is
B
gegaan

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Heeft het HWW zelf een betekenis?
A
Ja
B
Nee

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Het hww en het zww horen bij:
A
Redekundig ontleden (zinsdelen benoemen)
B
Taalkundig ontleden (woordsoorten benoemen)

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Welk woord is geen vz?
A
in
B
wegens
C
ondanks
D
niet

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een kenmerk van een vz?
A
Namen voor mensen, dieren, dingen
B
Geeft plaats of tijd aan

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions

Voorbeelden van vz zijn....
A
In, naast, daar, op
B
Bij, naast, op, met
C
Met, op, daar, die
D
Daar, op, wie, met

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

In welke zin is 'op' een vz?
A
Ik eet mijn broodje op in de zon.
B
Ik eet mijn broodje op een muurtje in de zon.

Slide 33 - Quiz

in is in beide zinnen ook een vz

bij a komt op van het ww opeten
In mijn glas wil ik dan zo'n gezellig parasolletje.

Wat is het vz?
A
In
B
mijn
C
gezellig
D
parasolletje

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

Lesafsluiting

* Vooruitblik:
- Herhaling Grammatica zinsdelen


Slide 35 - Slide

This item has no instructions