This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.
Report this lesson
Items in this lesson
Hoe ziet iemand eruit?
Slide 1 - Slide
This item has no instructions
Leerdoel
Aan het einde van de les kun je beschrijven hoe iemand eruit ziet.
Slide 2 - Slide
Vertel de leerlingen wat ze aan het einde van de les zullen kunnen doen.
Inleiding
Wat is uiterlijk? Uiterlijk verwijst naar hoe iemand eruit ziet.
Slide 3 - Slide
Introduceer het onderwerp en leg de betekenis van 'uiterlijk' uit.
Haarkleur
Haarkleur kan verschillen, zoals blond, bruin, zwart, rood, en grijs.
Slide 4 - Slide
Beschrijf de verschillende haarkleuren en laat voorbeelden zien.
Haartype
Mensen kunnen verschillende haartypes hebben, zoals steil, krullend of golvend haar.
-golven
-Steil
-krullend
Slide 5 - Slide
Beschrijf de verschillende haartypes en vraag de leerlingen om hun eigen haartype te identificeren.
Oogkleur
Oogkleuren zoals blauw, bruin, groen, grijs en hazel.
Slide 6 - Slide
Beschrijf de verschillende oogkleuren en vraag de leerlingen om hun eigen oogkleur te noemen.
Huidskleur
Mensen hebben verschillende huidskleuren, zoals wit, zwart, bruin, geel en roze.
Slide 7 - Slide
Beschrijf de verschillende huidskleuren en benadruk dat alle huidskleuren mooi zijn.
SlidebLichaamsbouw
Mensen hebben verschillende lichaamsbouw, zoals dun, dik, gespierd of gemiddeld.
Slide 8 - Slide
Beschrijf de verschillende lichaamsbouw en benadruk dat iedereen uniek is.
Lengte
ssrkmkrfefrMense
Mensdffdsdccfcffffvfven
Tekstdsds
Slide 9 - Slide
Beschrijf de verschillende lengtes en vraag de leerlingen om hun eigen lengte te noemen.
Gezichtsvorm
Mensen hebben verschillende gezichtsvormen, zoals rond, ovaal, vierkant of hartvormig
Slide 10 - Slide
Beschrijf de verschillende gezichtsvormen en vraag de leerlingen om hun eigen gezichtsvorm te identificeren.
Kenmerken
Mensen hebben unieke kenmerken, zoals sproeten, littekens, moedervlekken of een baard.
sproeten litteken
Slide 11 - Slide
Beschrijf verschillende kenmerken en vraag de leerlingen om er enkele te noemen die ze hebben opgemerkt bij zichzelf of anderen.
Kledingstijl
Mensen hebben verschillende kledingstijlen, zoals sportief, casual, formeel of alternatief.
sportief formeel
Slide 12 - Slide
Beschrijf de verschillende kledingstijlen en vraag de leerlingen om hun eigen kledingstijl te beschrijven.
Uiterlijke veranderingen
Mensen kunnen in de loop van de tijd veranderen in uiterlijk, zoals het krijgen van rimpels, grijs haar of het verliezen van gewicht.
Slide 13 - Slide
Beschrijf de mogelijke uiterlijke veranderingen die mensen kunnen ervaren naarmate ze ouder worden.
Oefening: Beschrijf een persoon
Beschrijf hoe een persoon eruit ziet. Gebruik woorden die hebt geoefend vandaag.
Slide 14 - Slide
Geef de leerlingen de opdracht om in groepjes van twee een persoon te beschrijven en de beschrijving aan de klas te presenteren.
De kleur van je haar noem je...
Slide 15 - Open question
This item has no instructions
Hoe lang iemand is noem je...
Slide 16 - Open question
This item has no instructions
Het soort haar dat iemand heeft noem je.......
Slide 17 - Open question
This item has no instructions
Hoe iemand de kleding draagt noem je....
Slide 18 - Open question
This item has no instructions
Slide 14: Raad het uiterlijk!
Laat een afbeelding van een persoon zien zonder het gezicht en laat de leerlingen raden hoe die persoon eruit zou kunnen zien.
Slide 19 - Slide
Laat een afbeelding zien met een afgedekt gezicht en vraag de leerlingen om te raden hoe die persoon eruit zou kunnen zien op basis van de beschikbare informatie.
De leerlingen voeren hier drie dingen in die ze in deze les hebben geleerd. Hiermee geven ze aan wat hun eigen leerrendement van deze les is.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Slide 25 - Open question
De leerlingen voeren hier twee dingen in waarover ze meer zouden willen weten. Hiermee vergroot je niet alleen betrokkenheid, maar geef je hen ook meer eigenaarschap.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.
Slide 26 - Open question
De leerlingen geven hier (in vraagvorm) aan met welk onderdeel van de stof ze nog moeite. Voor de docent biedt dit niet alleen inzicht in de mate waarin de stof de leerlingen begrijpen/beheersen, maar ook een goed startpunt voor een volgende les.