Les 4 & 5 Sprachmittel & pers vnw 3e 4e nv

Kapitel 2: Gesundheit
1 / 42
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 2

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Kapitel 2: Gesundheit

Slide 1 - Slide

Heute


GRAMMATIK :-)
Persoonlijk voornaamwoord in de derde naamval
Voorzetsels derde naamval 

Slide 2 - Slide

er was eens een verhaaltje...
Ik ga naar de dokter. Ik ben bij hij. Hij onderzoekt ik. Hij vraagt ik, wat er mis is. Ik zeg hij, dat ik van mijn moeder moest komen. Zij is bang, dat ik zij aansteek met mijn hoest.
... ff later .... alles ok .... ik naar huis
Ik zeg tegen mijn moeder: je hoeft niet bang te zijn voor ik. 
De arts zegt dat er niks mis is met ik.

Slide 3 - Slide

er was eens een verhaaltje...
Ik ga naar de dokter. Ik ben bij hem. Hij onderzoekt mij. Hij vraagt mij, wat er mis is. Ik zeg hem, dat ik van mijn moeder moest komen. Zij is bang, dat ik haar aansteek met mijn hoest.
........ ff later ... alles ok ... ik naar huis. .......
Ik zeg tegen mijn moeder: je hoeft niet bang te zijn voor mij. 
De arts zegt dat er niks mis is met mij.

Slide 4 - Slide

Hoe heten woorden als ik, jij, hij, zij, wij, ons, haar, hem, jullie, etc?
A
lidwoorden
B
werkwoorden
C
persoonlijk voornaamwoorden
D
voorzetsels

Slide 5 - Quiz

Hoe heten woorden als bij, van, met, door, etc?
A
lidwoorden
B
werkwoorden
C
persoonlijk voornaamwoorden
D
voorzetsels

Slide 6 - Quiz

We gaan de zinnen uit het verhaaltje vertalen met het grammatica overzicht. Bladzijde 90 in je boek.


Slide 7 - Slide

Ik ben *bij hem*.

Slide 8 - Open question

Hij onderzoekt *mij*.

Slide 9 - Open question

Hij vraagt (+4) *mij*.

Slide 10 - Open question

Ik zeg (+3) *hem*.

Slide 11 - Open question

Je hoeft niet bang te zijn *voor mij*.

Slide 12 - Open question

Er is niks mis *met mij*.

Slide 13 - Open question

Persoonlijk vnw. / naamvallen 
De naamvallen in het Duits gebruik je:
- Na een voorzetsel
- Om aan te geven of het: onderwerp = 1e naamval
                                        Lijdend voorwerp = 4e naamval 
                             Meewerkend voorwerp = 3e naamval 
is. 

Slide 14 - Slide

3e naamval
4e naamval
für
bis
aus
mit
gegen
bei
nach
durch
seit

Slide 15 - Drag question

durch
für
gegen
ohne
bis
um
door
tegen
om
tot
voor
zonder

Slide 16 - Drag question

aus
bei
mit
nach
seit
von
zu
uit
bij
met
naar
na en naar
sinds
van

Slide 17 - Drag question

Slide 18 - Video

Kann ich mit (u) mitfahren?
A
Ihnen
B
euch
C
Sie
D
ihr

Slide 19 - Quiz

ohne
A
zonder
B
behalve
C
tegen
D
voor

Slide 20 - Quiz

Er ist gegen ........
A
ich
B
mich
C
mir

Slide 21 - Quiz

für ... (mij)
A
ich
B
mich

Slide 22 - Quiz

Durch (hem) hat er verloren.
A
er
B
ihm
C
him
D
ihn

Slide 23 - Quiz

Ich war mit ihm beim Hausarzt.
Welke naamval is 'ihm'?
A
1
B
4
C
3

Slide 24 - Quiz

ik
Ist das für ... ?
A
ich
B
du
C
mich
D
ihn

Slide 25 - Quiz

für
A
zonder
B
voor
C
tegen

Slide 26 - Quiz

für is een voorzetsel van de...
A
derde naamval
B
vierde naamval

Slide 27 - Quiz

Was hat er für _____ gekaucht
A
du
B
dich

Slide 28 - Quiz

ohne .... (u)
A
sie
B
Sie

Slide 29 - Quiz

Der Brief ist für ( u ) ...
A
sie
B
Sie
C
Ihnen
D
ihnen

Slide 30 - Quiz

Das ist für ...............
A
ihr
B
euch

Slide 31 - Quiz

Sie spielen gegen .......... .
A
wir
B
uns

Slide 32 - Quiz

Ohne (jou) ... und ohne (jullie)...... ist es doof.
A
dir, euch
B
dich, ihr
C
dich, euch
D
du, euch

Slide 33 - Quiz

zu
A
3e
B
4e
C
3e/4e

Slide 34 - Quiz

(hij) gaat...
zu ... (haar)
A
er - ihr
B
ihr - ihm
C
ihm - ihr
D
er- sie

Slide 35 - Quiz

Die Milch ist für ... (hem).
A
ihm
B
ihn
C
dein
D
sich

Slide 36 - Quiz

durch
A
+3
B
+4

Slide 37 - Quiz

gegen
A
zonder
B
voor
C
tegen

Slide 38 - Quiz

Ich mit hier mit ...(jou)
A
du
B
dir

Slide 39 - Quiz

Was hast du gegen (haar) ... ?
A
er
B
ihn
C
es
D
sie

Slide 40 - Quiz

Verstehst du die Grammatik?
😒🙁😐🙂😃

Slide 41 - Poll

LESEN
Blz 77: oef. 37 --> hulp: blz 73, 88, 146

lingua.com

Slide 42 - Slide